Franchise-kenniscentrum/ Nationale Franchise- en Formulebrief-publicaties

Ludwig en van Dam Advocaten publiceert om de week een juridische bijdrage aan de Nationale Franchise- en Formulebrief, die door First Formula electronisch wordt verspreid. Hieronder treft u de tot dusver verschenen bijdragen aan.


Prognoseproblematiek: vaste jurisprudentie?

Mr Th.R. Ludwig - Franchise advocaat

Enige tijd geleden heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan in een procedure tussen een franchisegever en een franchisenemer. In deze zaak is de vraag aan de orde gesteld of de aan de franchisenemer voorgelegde, ondeugdelijke prognoses konden leiden tot juridisch relevante verwijten aan het adres van de franchisegever. Deze zaak is reeds in diverse periodieken behandeld. Van belang is de indruk te voorkomen dat de uitspraak in grote lijnen de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van franchisegevers en franchisenemers bij het opstellen en vertrekken van financiële ramingen door franchisegevers aan startende franchisenemers zou hebben gewijzigd.

In eerste instantie is de zaak gewonnen door de franchisenemer. De Rechtbank wees de vordering dus toe. In hoger beroep oordeelde het Gerechtshof evenwel anders, te weten dat de fouten in de prognose, door een derde opgesteld, niet aan de franchisegever waren te verwijten:

"Het Hof ziet, anders dan de rechtbank, niet in dat er voor Lampenier, in aanmerking genomen de bij haar aanwezig te achten kennis betreffende de tot haar keten behorende vestigingen, bijzondere redenen tot twijfel aan de redelijkheid van de omzetprognose van B & O zouden moeten zijn geweest. Gezien de door Lampenier bij akte d.d. 23 juni 1998 in het geding gebrachte verklaring van G.W. van Wijk (productie 12), die het onderzoek voor B & O heeft verricht, was bij eerdere ervaringen met recente Lampeniervestigingen gebleken dat Lampenier in staat was 50 tot 60% van de niet aan een speciaalzaak gebonden omzet naar zich toe te halen, zodat de prognose van B & O dat een omzet van (iets minder dan) de helft van de door haar becijferde marktruimte kon worden verwacht, niet irreëel behoefde te worden geacht.".

Uit de bovenstaande overweging blijkt dat de franchisegever in kwestie gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de door de derde vervaardigde prognose.

Niet zonder belang is dat het Hof expliciet duidelijk heeft willen maken dat de uitspraak niet per sé betekent dat de aansprakelijkheid van franchisegevers bij verkeerd verstrekte prognoses anders komt te liggen dan deze sinds jaar en dag ligt, getuige haar overweging die zij wijdt aan de standaard-jurisprudentie in deze: "Het Hof merkt ten overvloede op dat de vergelijking door Paalman van de onderhavige zaak met de zaken tussen Aviti en het Kinderparadijs niet opgaat. Anders dan in de onderhavige zaak berustte de in de laatste zaken aan de orde zijnde (volstrekt onjuiste) prognose op door Aviti zelf verstrekte onjuiste uitgangspunten.".

Aan de Hoge Raad is de vraag voorgelegd of de redelijkheid en billijkheid op zichzelf genomen voor een franchisegever de verplichting meebrengt zorg te dragen voor een deugdelijke prognose. Kennelijk zijn er goede redenen geweest de vordering (alleen) op die grondslag te baseren. Die redenering wordt niet gehonoreerd:

"De opvatting waarvan het middel, zoals hiervoor onder 3.3.1 is vermeld, uitgaat kan in haar algemeenheid niet worden aanvaard. Uit hetgeen redelijkheid en billijkheid eisen, in verband met de aard van de franchiseovereeenkomst, vloeit niet de algemene regel voort dat op de franchisegever een verbintenis rust om de franchisenemer in te lichten omtrent de te verwachten omzet of omtrent de winstverwachting. De bijzondere omstandigheden van het geval kunnen zodanige verbintenis wel meebrengen, maar het bestaan van zodanige omstandigheden heeft het Hof niet vastgesteld. Daarover wordt in cassatie niet geklaagd. Nu het bestaan van een verbintenis tot het verschaffen van inlichtingen als hiervoor bedoeld niet kan worden aangenomen, kan ook van een tekortkoming in de nakoming ervan geen sprake zijn en derhalve evenmin van een daarop berustende verplichting tot het vergoeden van schade.".

De Hoge Raad voegt echter wel iets aan haar uitspraak toe, namelijk dat een dergelijke vordering wellicht kans van slagen zou hebben gehad wanneer dwaling of onrechtmatigheid het geval zou zijn. De Hoge Raad houdt dus staande dat franchisegevers onder omstandigheden aansprakelijk kunnen zijn voor verkeerde prognoses, waarbij het er niet toe doet of zij die zelf hebben opgesteld dan wel of dit door een derde is gebeurd. De bestaande jurisprudentielijn is door de uitspraak in kwestie dus niet doorbroken

Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies