De franchise-voorovereenkomst; de precontractuele fase
Geregeld komt het voor dat franchisegever en franchisenemer een franchise-voorovereenkomst sluiten, alvorens daadwerkelijk een franchiseovereenkomst aan te gaan. Een dergelijke franchise-voorovereenkomst kent vele verschijningsvormen, die niet altijd recht doen aan de bedoeling daarvan.
Het kan nuttig zijn een voorovereenkomst te sluiten nu alsdan geheimhouding en kan worden bedongen terzake over en weer uit te wisselen informatie. Tevens kan een dergelijke voorovereenkomst bepalingen bevatten inzake de verdeling van de in de aanloop naar een daadwerkelijke franchiseovereenkomst over en weer te maken kosten.
De Europese Erecode Franchising 2006 regelt in artikel 3.4. aan welke vereisten een dergelijke voorovereenkomst tenminste behoort te voldoen. De code is slechts direct van toepassing op leden van de Nederlandse Franchisevereniging en franchisegevers die hebben aangegeven deze vrijwillig toe te passen. De franchisegever dient de franchisenemer, naast voornoemde aspecten, op voorhand ook informatie te verschaffen omtrent het doel, de reikwijdte en de duur van de voorovereenkomst. Het doel dient bij voorkeur te worden beperkt tot een regeling betreffende de précontractuele fase.
Een dergelijke voorovereenkomst blijkt in toenemende mate echter ook te worden gesloten om partijen over en weer te binden daadwerkelijk tot het aangaan van een franchiseovereenkomst te komen. Indien daarvan sprake is schiet de voorovereenkomst aan zijn doel voorbij.
De voorovereenkomst dient immers slechts een regeling te geven voor de précontractuele fase, vergelijkbaar aan ieder serieus zakelijk onderhandelingstraject. Indien de voorovereenkomst partijen al verplicht over en weer een franchiseovereenkomst te sluiten, dan is in feite al een franchiseovereenkomst gesloten, zonder dat de voorwaarden waaronder dat geschied veelal op voorhand volledig kenbaar zijn. Dit blijkt alsdan vaak een bron van wederzijds vorderingen, gericht op schadevergoeding en zelfs nakoming, indien een van beide partijen alsnog van een daadwerkelijke franchiseverhouding wil afzien. Het kan in beginsel niet zo zijn dat op basis van een voorovereenkomst al uitvoeringshandelingen worden verricht en/of van een der partijen forse investeringen worden verlangd. Tevens kan het onder omstandigheden een toerekenbare tekortkoming opleveren indien de voorovereenkomst een der partijen langdurig aan het lijntje houdt, zonder dat er daadwerkelijk zicht is op een franchiseverhouding.
Het advies aan franchisenemers is aldus om ook de mogelijke consequenties van een aangeboden voorovereenkomst goed te beoordelen. Het advies aan franchisegevers is om een voorovereenkomst bij voorkeur te beperken tot een goede en evenwichtige regeling te treffen in geval van afgebroken onderhandelingen.
Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten
Opzegging van een dealerovereenkomst in relatie tot prijsbinding
Het Gerechtshof te Arnhem heeft eind 2007 een interessante uitspaak gedaan die betrekking
De zorgplicht van de franchisegever in extreme tijden
De huidige kredietcrisis slaat als een uitslaande brand om zich heen en kent reeds vele slachtoffers
Mededinging: de ‘ver van mijn bed-show’…?
Als het adagium ‘onbekend maakt ongeliefd’ ergens voor geldt, dan is dat voor een onderwerp als het mededingingsrecht
Ondernemer en schuldsanering
In de praktijk komt het voor dat franchisenemers, en soms ook franchisegevers door of vanwege de crisis
Verhaalbaarheid in crisistijd
Een wederkerend thema in deze bijdrage aan de First Franchise Nieuwsbrief is de betalingsdiscipline
Oplevering van het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst
Artikel 7:224 van het Burgerlijk Wetboek bepaald dat de huurder het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst