Franchisegever doet een geslaagd beroep op een postcontractueel non-concurrentiebeding
Rechtbank Maastricht
De rechtbank te Maastricht zag zich onlangs geconfronteerd met een zaak waarbij een franchisenemer voortijdig afscheid had genomen van de franchiseformule. Hoewel de franchisegever akkoord ging met deze voortijdige beëindiging van de samenwerking, wees zij de (ex)franchisenemer er wel uitdrukkelijk op dat het (postcontractuele) non-concurrentiebeding (en relatiebeding) integraal nagekomen moest worden.Dit non-concurrentiebeding bestond er – kort gezegd – uit dat de (ex)franchisenemer, gedurende een jaar na het eindigen van de franchiseovereenkomst, in het gebied waar zij werkzaam was, geen activiteiten mocht ontplooien die gelijk waren met de activiteiten die zij ontplooide tijdens de franchiseovereenkomst (in deze zaak: kinderergotherapie). De (ex)franchisenemer liet echter weten daartoe helemaal niet van plan te zijn, omdat het beding haar ‘brodeloos’ zou maken; het zou veel te ruim geformuleerd zijn en tevens in strijd met de wet.
Korte tijd later bemerkte de franchisegever dat de (ex)franchisenemer inderdaad concurrerende activiteiten aan het ontplooien is en ziet zich op moment dan ook genoodzaakt om een kort geding te starten jegens de (ex)franchisenemer teneinde de belangen van haarzelf, doch ook van de andere franchisenemers, te beschermen. De (ex)franchisenemer vordert in die procedure, als tegeneis, schorsing van het non-concurrentiebeding.
Naar het oordeel van de rechter houdt de franchisegever de (ex)franchisenemer terecht aan het non-concurrentiebeding. In beginsel geldt immers ‘afspraak is afspraak’. Alleen als het beding onaanvaardbaar zou zijn op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou een schorsing mogelijk zijn. En daarvan is dus geen sprake in het geval van onderhavig non-concurrentiebeding. De rechter acht het daarbij van belang dat de (ex)franchisenemer heeft ingestemd met het beding en dat zij wist welke beperkingen op haar werden gelegd in het geval dat de franchiseovereenkomst zou komen te beëindigen. De franchisegever, daarentegen, heeft volgens de rechter een gerechtvaardigd belang om gevrijwaard te blijven van concurrentie door gewezen franchisenemers.
De (ex)franchisenemer wijst er nog op dat zij geen financiële buffer heeft opgebouwd in de anderhalf jaar dat zij franchisenemer was en dat het dus niet redelijk zou zijn dat zij gedurende een jaar verstoken zou zijn van inkomsten. De rechter acht dit echter omstandigheden die voor haar rekening en risico komen, met name omdat de (ex)franchisenemer het initiatief had genomen om de samenwerking voortijdig te beëindigen. Verder verbiedt het beding de (ex)franchisenemer niet om activiteiten te ontplooien als (volwassenen) ergotherapeut, zodat er wel degelijk inkomsten kunnen worden verkregen. Ook is het gebied, waarin geen concurrerende activiteiten mogen plaatsvinden, beperkt te noemen.
Het is dan ook feitelijk vrij eenvoudig: als je, als franchisenemer, tekent voor een non-concurrentiebeding, dan kan je daaraan in beginsel gehouden worden, tenzij er (juridische) bezwaren aan kleven waardoor het beding niet (volledig) in stand kan blijven. Het is als zelfstandig ondernemer dan ook uitermate verstandig om – voor het tekenen van de franchiseovereenkomst – na te (laten) gaan wat de mogelijke gevolgen zijn van dergelijke bedingen na het eindigen van de samenwerking met de franchisegever. Dit overigens te meer als het winkelpand, waarin de exploitatie plaatsvindt, rechtstreeks van een derde wordt gehuurd (dus niet van de franchisegever). Komt deze discussie eerst op gang na het tekenen van de franchiseovereenkomst, dan staat de franchisenemer mogelijk al “1-0” achter.
Mr J.H. Kolenbrander – Franchiseadvocaat
Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies Wilt u reageren? Mail naar kolenbrander@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Franchisenemer mag assortiment vreemd inkopen na verplichte formulewijziging – 6 juni 2019 – mr. J.A.J. Devilee
De rechtbank Oost-Brabant heeft zich onlangs in kort geding gebogen over een belangwekkende kwestie waarin een franchisenemer geheel onvrijwillig een alternatieve formule opgedrongen heeft gekregen.
Hoe behoud ik mijn vestigingsplaats? – 6 juni 2019 – mr. K. Bastiaans
Voor franchisegevers en franchisenemers is, met name in de detailhandel, de vestigingsplaats van groot belang.
Supermarktbrief – 25
Supermarktnieuwsbrief nr. 25
De toetsingsmaatstaf voor franchiseprognoses – d.d. 29 mei 2019 – mr. A.W. Dolphijn
Het hof Den Bosch heeft op 19 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1037, de rechtspraak van de Hoge Raad over prognose bij franchising op een rij gezet.
Arbitrage binnen franchise: een te hoge drempel? – mr. M. Munnik
Bij het aangaan van een overeenkomst is het voor partijen mogelijk – in afwijking van de wet - om een bevoegde rechter aan te wijzen. Dit geldt ook voor de franchiseovereenkomst. Van deze mogelijkheid
Beroep franchisenemer op dwaling wegens ondeugdelijke prognoses en gebrek aan ondersteuning verworpen – d.d. 25 april 2019 – mr. K. Bastiaans
Het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde (ECLI:NL:GHSHE:2019:697) over de vraag of het enkele feit dat prognoses niet zijn uitgekomen, de conclusie rechtvaardigt dat de franchisenemer tekort is gedaan...



