Geldt een overeengekomen huurprijsindexering altijd?
Veel ondernemers zijn begin dit jaar geconfronteerd met een aanzienlijke huurprijsverhoging. Dit kwam omdat in veel huurovereenkomsten voor bedrijfsruimte de jaarlijkse huurverhoging gekoppeld is aan het inflatiecijfer. Een huurverhoging van tussen de 10 en 14 procent was dan ook niet ongebruikelijk. Dit leidde en leidt nog steeds tot veel discussie tussen huurders en verhuurders. In een recent aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (4 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8786) voorgelegde kwestie kwam de rechter tot het oordeel dat de huurprijsverhoging van 14,5% onrealistisch hoog was.
De rechter komt mede tot dit oordeel gelet op het feit dat het CBS vanaf juni 2023 een nieuwe methode toepast om energieprijzen voor consumenten te meten. Als gevolg hiervan vindt een aanzienlijke aanpassing plaats van de CPI van het CBS. Het CBS geeft aan dat de tot juni 2023 gepubliceerde uitkomsten van de CPI en de inflatie niet worden herzien. Dat het CBS de nieuwe methode pas met ingang van juni 2023 zou gaan toepassen, wil volgens de rechter niet zeggen dat nog altijd de oude methode moet worden gehanteerd voor de periode daaraan voorafgaand.
De rechter oordeelde dat een huurprijsindexering op basis van de wijziging van de CPI van het CBS niet verhoogd kon worden. De huurprijsverhoging was onrealistisch hoog.
In de huurovereenkomst was opgenomen dat de huurprijs jaarlijks werd geïndexeerd conform de veelgebruikte indexeringsclausule. De indexatie vond plaats op basis van de wijziging van de CPI van het CBS. Op basis daarvan zou de huurprijs verhoogd worden met 14,5% met ingang van 1 januari 2023. Huurder weigerde echter deze verhoging te betalen. Verhuurder heeft huurder daarom gedagvaard.
Het CBS had inmiddels medegedeeld dat zij een nieuwe berekeningsmethode voor de huurprijsindexatie had vastgesteld, waardoor er een lager percentage zou gelden met ingang van juni 2023. Op grond daarvan oordeel de rechter dat een huurprijsverhoging vanaf 1 januari 2023 op grond van de dan geldende CPI van het CBS niet realistisch is. Volgens de rechter is namelijk op voorhand voldoende aannemelijk dat de toepassing van de oude berekeningsmethode per 1 januari 2023 tot een te hoog, niet reëel prijsindexcijfer heeft geleid.
De vordering van de verhuurder tot verhoging van de huurprijs aan de hand van de indexering op basis van de wijziging van de CPI van het CBS werd door de rechter afgewezen.
Uit deze uitspraak volgt dat een overeengekomen huurprijsindexering niet onaantastbaar is, ondanks dat het zwart op wit afgesproken is. Deze uitspraak biedt daarom mogelijkheden om (opnieuw of alsnog) in gesprek te gaan met uw verhuurder om tot een redelijke huurverhoging te komen. Uiteraard zijn wij graag bereid u daarin bij te staan.
Mr. M. (Maaike) Munnik – franchiseadvocaat
Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies. Wilt u reageren?
Ga naar munnik@ludwigvandam.nl
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar munnik@ludwigvandam.nl
Andere berichten
Fictieve dienstbetrekkingsperikelen
Een blijvend punt van aandacht dient in franchiseverhoudingen te allen tijde te zijn de vraag of in de franchiseverhouding
Recente ontwikkelingen betreffende verticale prijsbinding
Door de bestuursrechter van de Rechtbank te Rotterdam is op 13 februari 2004 een uitspraak gedaan tussen Secon Group B.V.
Huurprijswijziging
In navolging van eerdere verschenen artikelen van mijn hand zal ik in het onderstaande wederom een huurrechtelijke kwestie behandelen.
Mededinging en merkbaarheid: recente ontwikkelingen
De president van de rechtbank Arnhem heeft zich in kort geding zeer recent weer eens gebogen over enige mededingingsrechtelijke kwesties
Helderheid inzake financiële verplichtingen franchisenemers
Franchisenemers hebben in de regel diverse duurzame financiële verplichtingen jegens de franchisegever.
Verplichte franchiseraad?
Niet in alle gevallen is in de franchise-overeenkomst een verwijzing opgenomen naar de franchiseraad of een vergelijkbaar orgaan.
