Horeca-overeenkomsten
Mr M.S.J. Steenhuis, Ludwig – Franchise advocaat
Onlangs heeft de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) een besluit genomen ten aanzien van de door Heineken ter ontheffing voorgelegde bierleveringsovereenkomsten. In dit besluit heeft de NMa geoordeeld dat zogenaamde bierleveringsovereenkomsten niet onder het kartelverbod van artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) vallen. In het navolgende zal een en ander worden toegelicht. Hierbij zij opgemerkt dat de overeenkomsten van Heineken uitsluitend betrekking hebben op de afname van tapbier en tevens opzegbaar zijn met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. Mede omdat Heineken de grootste aanbieder op de markt is en 50% à 60% beheerst van de markt, heeft zij de bedoelde overeenkomsten aangemeld bij de NMa. Op grond van de in deze artikelenreeks eerder besproken Groepsvrijstellingsverordening van de Europese Commissie inzake verticale overeenkomsten, mogen overeenkomsten als de onderhavige slechts voor een periode van maximaal vijf jaar worden aangegaan. Maakten de meeste bierbrouwers tot dusver nog gebruik van de mogelijkheid, onder het regime van de oude Groepsvrijstellingsverordening 1984 / 1983, om een overeenkomst voor vijf dan wel tien jaar aan te gaan, Heineken heeft inmiddels haar overeenkomsten dusdanig aangepast dat deze op ieder moment opzegbaar zijn, uiteraard met inachtneming van de reeds eerder genoemde opzegtermijn van twee maanden. Op grond hiervan oordeelt de NMa dat de concurrentie zal toenemen nu de gemiddelde bindingsduur zal afnemen.
Relevante Markt
Van belang bij de vraag of er sprake is van mededingingsbeperkende afspraken is de zogenaamde relevante markt. De NMa is in het onderhavige geval van oordeel dat de relevante markt ziet op de gehele Nederlandse markt voor de verkoop van bier in horecagelegenheden. Gezien de reeds eerder gesignaleerde sterke marktpositie van Heineken houdt dit in dat de kans op mededingingsbeperkende afspraken in de overeenkomsten aanzienlijk is, weshalve de NMa deze overeenkomst heeft onderworpen aan een strenge toetsing.
Exclusiviteit
Gezien het feit, zoals reeds gesteld, dat horeca-ondernemers de bierleveringsovereenkomst met Heineken met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden kunnen opzeggen, heeft de NMa geoordeeld dat dit een mededingingsbevorderende werking op de markt heeft. Immers, aldus de redenering van de NMa, biedt Heineken daardoor aan horeca-ondernemers de mogelijkheid om zich elders te informeren over soortgelijke contracten. Tevens hebben de betrokken horeca-ondernemers ook concreet de mogelijkheid om, indien zij dit wensen, over te gaan tot het sluiten van overeenkomsten met andere leveranciers. In de door Heineken aan de NMa voorgelegde overeenkomsten is een bepaling opgenomen waaruit volgt dat Heineken zich verplicht ieder jaar haar contractanten te benaderen en te wijzen op de mogelijkheid om de overeenkomst met Heineken op te zeggen. Voorts heeft de NMa geconcludeerd dat de overeenkomsten die Heineken gelijktijdig aangaat met de bierleveringsovereenkomsten, te weten een akte van geldlening, een borgstellingsovereenkomst alsmede een zogenaamde kelderbierinstallatieovereenkomst, geen bepalingen bevatten die het de horeca-ondernemer alsnog onmogelijk maakt om de overeenkomst tussentijds te beëindigen.
In de bierleveringsovereenkomsten is door Heineken exclusiviteit opgenomen voor wat betreft het verkopen van bier van de tap. De horeca-ondernemer verplicht zich om slechts één merk bier van de tap te verkopen. Deze zogenaamde instore-interbrand-concurrentie is naar de mening van de NMa toegestaan nu dit geen marktafschermende werking tot gevolg zal hebben.
Conclusie NMa
Op grond van het vorenstaande heeft de NMa geconcludeerd dat het verzoek van Heineken om ontheffing van de Groepsvrijstellingsverordening zal worden afgewezen, aangezien de aangemelde overeenkomsten niet onder de werking van artikel 6 van de Medededingingswet vallen. Dit is dan ook voor Heineken een positief besluit van de NMa nu de NMa hier feitelijk mee aangeeft dat Heineken haar bierleveringsovereenkomsten en aanverwante overeenkomsten niet ter ontheffing aan de NMa had behoeven voor te leggen nu deze niet vallen onder het regime van artikel 6 Mw en daarmede ook niet onder de Groepsvrijstellingsverordening.
Het bovenstaande is slechts een korte uiteenzetting van het besluit van de NMa d.d. 28 mei 2002. Mocht u naar aanleiding hiervan meer willen weten dan wordt verwezen naar het tijdschrift Markt en Mededing 2003 / nummer 2, in welk tijdschrift een uitvoerige annotatie is geschreven door Mr L.Y.J.M. Parret.
Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten
Deal or no deal? De problematiek van de afgebroken onderhandelingen
Voordat een franchiseovereenkomst daadwerkelijk getekend wordt door een franchisegever en een franchisenemer
Recente uitspraak inzake fictieve dienstbetrekking
De vraag of sprake is van een franchiseovereenkomst of een verkapte arbeidsovereenkomst blijft de gemoederen
Ontbinding wegens afwijking adviesprijzen: mededingingsrechtelijk ontoelaatbaar
Onlangs is een belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot sturing van marge en dito prijspolitiek.
Bedrijfsbeleid en franchisenemersbelang
Elke organisatie van enige importantie stelt voor zichzelf beleidsdoelen vast.
Einde franchiseovereenkomst . en dan?
Inmiddels is het goed gebruik dat partijen bij het aangaan van de franchiseovereenkomst uitvoerig stil staan bij de consequenties daarvan.
Wijzigen reglement en samenwerkingsvoorwaarden franchiseraad
De meeste franchiseorganisaties kennen een franchiseraad.