Artikel mr. A.W. Dolphijn – “Hoe waardeer je een franchiseonderneming met kwijtingslening?” – d.d. 14 augustus 2020
Een kwijtingslening is een beproefd middel van franchisegevers om
franchisenemers langdurig aan zich te binden. Een probleem kan ontstaan
over hoe de franchiseonderneming gewaardeerd dient te worden als een
participant uittreedt. Het gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer)
oordeelde op 16 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2001, over een dergelijke
kwestie.
Twee partijen waren aandeelhouders in een franchiseonderneming. Eén van de
aandeelhouders werd gedwongen de aandelen te verkopen en over te dragen aan
de ander. Het gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) oordeelde dat de
verkoopprijs van de aandelen van de franchiseonderneming bepaald diende te
worden door een deskundige.
Vaststaat dat de franchiseonderneming een kwijtingslening gesloten heeft
met de franchisegever. Dat betekent in onderhavige geval dat de
franchiseonderneming een bedrag ontvangen had van € 3.750k, welk bedrag in
20 jaar stapje voor stapje kwijtgescholden wordt, onder de voorwaarde dat
de franchiseovereenkomst wordt voortgezet. In aanvulling hierop geldt een
beding dat de franchiseonderneming aan de franchisegever een vergoeding van
€ 500k verschuldigd is indien in de periode van de genoemde 20 jaar geen
gebruik wordt gemaakt van de tussentijdse verlengingsmogelijkheden van de
franchiseovereenkomst. Op deze manier weet de franchisegever de
franchiseonderneming aan zich te binden. Op het moment van verkoop van de
aandelen is de kwijtingslening nog ca. € 2,7 mio. groot.
De door het gerechtshof aangewezen deskundige begroot de koopprijs aan de
hand van de waarde van de te verwachten toekomstige vrije geldstromen van
de franchiseonderneming. Bij de waardering van de franchiseonderneming
wordt de kwijtingslening op nul gewaardeerd door de deskundige. Hierdoor
wordt de waarde van de onderneming hoger, net als de uitkoopprijs. De
verkoper stelt dat de kwijtingslening niet tegen nulwaarde, maar tegen
nominale waarde op de ondernemingswaarde in mindering had moeten worden
gebracht. Daarmee zou de verkoopprijs aanzienlijk hoger komen te liggen.
Het gerechtshof overweegt dat de waardering, uitgaande van voortzetting van
de huidige exploitatie, berust op de veronderstelling dat de
franchiseovereenkomst met de franchisegever geheel door de
franchiseonderneming wordt nagekomen. Verdedigbaar is dat die – langdurige
– gebondenheid aan de franchisegever enig drukkend effect heeft op de
waarde van de onderneming, omdat de franchiseonderneming daarmee in enige
mate is beperkt in haar ondernemingsvrijheid. Echter, de
waarderingsgrondslag is gebaseerd op de prognose van de toekomstige vrije
geldstromen en de premisse dat de franchiseovereenkomst nagekomen zou
worden. Hiermee is gerechtvaardigd dat geen waarde toegekend wordt aan de
mogelijkheid dat de franchiseonderneming de bestaande franchiseovereenkomst
niet voort zal te zetten.
Het is van groot belang om bij participaties in franchiseonderneming goede
afspraken te maken over de mogelijke beëindiging van de samenwerking.
Daarbij mag zeker niet een regeling ontbreken over de waardering en prijs
van ieders deelneming.
Mr. A.W. Dolphijn – franchiseadvocaat
Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies. Wilt
u reageren? Ga naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Faillissement franchisegever
De laatste jaren is het aantal faillissementen als gevolg van de slechte economische situatie aanzienlijk gestegen.
Is franchising wel altijd de juiste samenwerkingsvorm?
Franchising is in de meeste gevallen een wijze van samenwerking die alle daarbij betrokkenen
Recente jurisprudentie
Bespreking verdient een recente uitspraak van de Voorzieningenrechter.
De hardheid van een concurrentiebeding in faillissement
De meeste franchise-overeenkomsten bevatten post-contractuele concurrentiebedingen
Overdracht van de franchisegever
In de meeste franchise-overeenkomsten is een uitgebreide overdrachtsregeling opgenomen ten behoeve van de franchisenemer
Bestendige lijn in de jurisprudentie wordt wél voortgezet!
Al herhaalde malen is in deze artikelenreeks ter sprake gekomen het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2002