Recente jurisprudentie
Bespreking verdient een recente uitspraak van de Voorzieningenrechter. Kort gezegd, gaat het in de betrokken kwestie om het navolgende. De eiser, een huisarts, heeft zijn huisartsenpraktijk, waarvan tevens een apotheek onderdeel uitmaakt, verkocht aan gedaagde, in welk kader op 6 juli 2000 een overeenkomst tussen partijen is gesloten. Van deze overeenkomst maakte onderdeel uit een concurrentiebeding dat, kort gezegd, als strekking had dat de verkopende partij (de eiser) zich verplichtte om gedurende een periode van 10 jaar in een cirkel van 9 kilometer rondom de huisartsenpraktijk geen activiteiten als huisarts, in welke vorm dan ook, te zullen voortzetten. Op 11 oktober 2002 is de gedaagde partij, de partij aan wie de huisartsenpraktijk was overgedragen, overleden. De erven hebben op hun beurt een overeenkomst gesloten met een derde partij op grond waarvan de praktijk op 1 april 2003 is overgedragen aan deze derde partij, zulks tegen een betaling van een bedrag ad € 300.000,–. De eisende partij – die inmiddels, nadat hij twee jaar huisarts was geweest in Australië, was teruggekeerd – heeft zich tegen de overdracht van de onderneming, waarbij tevens het concurrentiebeding was overgedragen, verzet. Eiser stelde zich, kort gezegd, op het standpunt dat het concurrentiebeding, zoals hij dat met de inmiddels overleden W. was overeengekomen, niet aan een derde partij kan worden overgedragen. De Rechtbank deelde deze mening niet, nu nadrukkelijk in de overeenkomst was opgenomen dat de eisende partij zich zou conformeren aan het concurrentiebeding jegens W dan wel diens rechtverkrijgenden. Derhalve, zo meende de Rechtbank, kon de derde partij wel aanspraak maken op het litigieuze concurrentiebeding.
Voorts werd door eiser aangevoerd dat het concurrentiebeding in strijd zou zijn, en met name dit onderdeel is interessant voor de franchisepraktijk, met artikel 6 van de Mededingingswet. In dit artikel wordt, kort gezegd, bepaald dat het verboden is een overeenkomst aan te gaan die ertoe strekt of tengevolge heeft dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Eisende partij was van mening dat hiervan sprake was, nu een redelijke termijn voor een concurrentiebeding een termijn van twee jaar zou zijn geweest, welke inmiddels ruimschoots was verstreken. De Rechtbank deelde ook deze mening van eiser niet. De Rechtbank was van oordeel dat in deze kwestie van belang was hoe de mededingingssituatie zou zijn geweest indien er geen sprake zou zijn geweest van een concurrentiebeding tussen koper en verkoper. De Rechtbank was voorts van mening dat de overdracht van de onderneming dan illusoir zou zijn geweest immers. Zo had eiser, nadat hij de praktijk had overgedragen aan W., nog steeds gebruik kunnen maken van zijn oude klantenkring en was de levensvatbaarheid van de nieuwe praktijk van W. nagenoeg nihil geweest. Een concurrentiebeding in een dergelijke situatie waarborgt derhalve de doeltreffendheid van een overdacht van een onderneming, zo was de Rechtbank van oordeel. Voorts overweegt de Rechtbank dat nu het concurrentiebeding weliswaar voor een periode van 10 jaar is aangegaan doch dat de reikwijdte van het concurrentiebeding (slechts 9 kilometer rondom de huisartsenpraktijk) beperkt is, zodat ook in dat kader het concurrentiebeding niet onnodig ruim is geformuleerd.
Deze uitspraak is opvallend te noemen. De Rechtbank oordeelt ten aanzien van de duur van het non-concurrentiebeding dat een duur van 10 jaar niet onnodig ruim is. De Europese Commissie heeft, zoals blijkt uit haar Bekendmaking betreffende beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van concentraties (bekendmaking van 4 juli 2001), gesteld dat wanneer er sprake is van een overdracht van een onderneming waarbij wel goodwill doch geen knowhow wordt overgedragen een non-concurrentiebeding in principe kan gelden voor de duur van maximaal twee jaren. De Rechtbank gaat, om haar moverende redenen, aan dit gegeven voorbij. Het is derhalve afhankelijk van opvolgende jurisprudentie hoe in de praktijk uiteindelijk met een en ander zal worden omgegaan.
Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten
Overschot in marketingfonds: kan de franchisenemer schadevergoeding eisen?
De Rechtbank Noord-Holland heeft op 23 september 2026 (ECLI:NL: RBNHO:2026:13072) ...
Geen verantwoording over marketingbijdrage: mag de franchisenemer betaling opschorten?
De Rechtbank Amsterdam heeft op 24 augustus 2026 een interessante ...
Cyberbeveiligingswet en franchise: wanneer wordt de franchisegever ICT-dienstverlener?
Sinds 15 augustus 2026 is de Cyberbeveiligingswet van kracht. De ...
Verlieslatende franchisevestiging: stoppen of toch door?
Een franchisevestiging draait financieel slecht. De franchisenemer wil stoppen, ...
Tussentijdse beëindiging franchise: niet alle resterende franchisefees zijn automatisch schade
Wat is de schade van een franchisegever wanneer een franchisenemer ...
Supermarktfranchise in Nederland en België: een verschil in bescherming
Jeroen Sterk schreef in APLSIA Magazine, het Franstalige Belgische vakmagazine ...





