Geen overgedragen knowhow, geen geldig postcontractueel non-concurrentiebeding
De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft op 10 maart 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:1235) uitspraak gedaan over de geldigheid van een postcontractueel concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst. Eén van de wettelijke vereisten voor een geldig postcontractueel non-concurrentiebeding is dat het noodzakelijk moet zijn om de door de franchisegever overgedragen knowhow te beschermen.
In dit geval oordeelt de voorzieningenrechter dat het concurrentiebeding niet noodzakelijk is ter bescherming van de door de franchisegever genoemde knowhow. Daarmee voldoet het beding niet aan de vereisten zoals opgenomen in artikel 7:920 lid 1 sub c BW.
De franchiseformule van de franchisegever betreft een horecaconcept dat is gecombineerd met de indooractiviteit jeu de boules. De franchisenemer had, voordat hij zich aansloot bij deze formule, al ervaring opgedaan binnen een andere franchiseorganisatie als exploitant van een bezorgrestaurant. Hij beschikt dus over algemene ondernemersvaardigheden en specifieke kennis van het bereiden en verkopen van voedsel. Daarnaast heeft hij ruime ervaring in de horeca en is hij al vijftien jaar actief in de evenementenbranche. Tijdens zijn periode als franchisenemer bood hij bovendien aanvullende activiteiten aan, naast jeu de boules. Deze kennis en ervaring heeft hij niet via de huidige franchisegever verkregen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het niet aannemelijk is dat de overgedragen knowhow specifiek is toegespitst op het runnen van een indoor jeu de boules-onderneming, dat deze knowhow niet eenvoudig voor derden te verkrijgen zou zijn, of dat deze van zodanige aard is dat de franchisenemer, door zelfstandig verder te gaan, een oneerlijk voordeel zou behalen ten opzichte van de voormalige franchisegever. Op basis van het debat in deze kortgedingprocedure acht de rechter het daarom niet waarschijnlijk dat een bodemrechter zal oordelen dat het concurrentiebeding noodzakelijk is ter bescherming van de knowhow van de franchisegever en het dus rechtsgeldig zal achten.
De conclusie van de voorzieningenrechter is dan ook dat het postcontractuele non-concurrentiebeding niet voldoet aan de wettelijke vereisten. De franchisenemer mag zijn onderneming, met dezelfde activiteiten als tijdens de franchiseperiode, voortzetten.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Interview mr. J. Sterk en mr. C. Rutten in Franchise+: “Oproep aan automotive sector: bereid je goed voor op nieuwe Wet franchise” d.d. 2 oktober 2020
De nieuwe Wet Franchise heeft een brede uitwerking, ook in de automotive sector. Maar of men zich er daar voldoende van bewust is?
Artikel De Nationale Franchise Gids – “Coronakorting van 50% op de huur” – mr. A.W. Dolphijn – d.d. 15 september 2020
Tegenvallende omzetten in verband met de coronacrisis kunnen betekenen dat de huurprijs gehalveerd wordt, ook als er sprake is van een deels omzetgerelateerde huur.
Artikel Franchise+ – “Franchisegever hanteert “afgeleide formule” (zonder dat hij het weet)” – mr. A.W. Dolphijn – d.d. 9 september 2020
Tal van franchisegevers zullen zich niet bewust zijn van het gegeven dat zij een “afgeleide formule” gebruiken zoals bedoeld in de Wet franchise.
Artikel Franchise+ – “Verplichtingen en rechten van de startende franchisenemer” – mr. A.W. Dolphijn – d.d.
Waar dient u als startende franchisenemer op te letten, wat zijn uw verplichtingen en wat zijn uw rechten bij het sluiten van de franchiseovereenkomst?
Artikel mr. C. Damen – Drie voorwaarden bij het recht op klantenvergoeding voor de agent bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst – d.d. 26 augustus 2020
Bij de agentuurrelatie tussen een agent en een opdrachtgever (de principaal) leggen partijen hun samenwerkingsafspraken vast in een agentuurovereenkomst. Wanneer de principaal de agentuurovereenkomst
Artikel mr. C. Damen – “Wanneer geldt de exhibitieplicht voor het overleggen de franchiseovereenkomst?” d.d. 17 augustus 2020
Geldt de exhibitieplicht voor het tonen van een (franchise)overeenkomst in een procedure, wanneer de procespartijen niet in rechtsbetrekking staan tot de (franchise)overeenkomst?





