Geen verantwoording over marketingbijdrage: mag de franchisenemer betaling opschorten?

De Rechtbank Amsterdam heeft op 24 augustus 2026 een interessante uitspraak gedaan over de verantwoordingsplicht van een franchisegever voor marketingbijdragen en het recht van een franchisenemer om betaling daarvan op te schorten: Rb. Amsterdam 24 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9824 (Cafecito).

De franchisenemer was een marketingbijdrage van 3% van zijn omzet verschuldigd, maar schortte vanaf november 2025 daarvan 0,5% op omdat volgens hem onvoldoende inzicht werd gegeven in de besteding van deze gelden.

Wat verlangt artikel 7:916 lid 2 BW?

Artikel 7:916 lid 2 BW bepaalt dat de franchisegever jaarlijks moet informeren in hoeverre de in het voorafgaande boekjaar verlangde opslagen en andere financiële bijdragen de kosten of investeringen dekken waarvoor deze bijdragen zijn bestemd.

De wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat hiermee méér wordt bedoeld dan een globale opsomming van verrichte activiteiten. De franchisegever moet verantwoording afleggen over de besteding van doelgebonden bijdragen. Als voorbeeld noemt de wetgever juist bijdragen voor reclamecampagnes. Aanleiding voor de regeling was dat franchisenemers dergelijke bijdragen betaalden, maar onvoldoende konden controleren welke uitgaven daar daadwerkelijk tegenover stonden. De rapportages van franchisegevers waren daarvoor volgens de wetgever vaak te sterk geaggregeerd.

Het doel is dat de franchisenemer kan beoordelen hoe de geïnde bijdragen zich verhouden tot de kosten waarvoor zij zijn geheven en daarmee ook of de bijdrage niet onredelijk hoog is. De memorie van toelichting spreekt uitdrukkelijk van een mogelijkheid om de hoogte van de bijdrage af te zetten tegen de kosten die daarmee moeten worden gedekt.

De regeling ziet niet op de gewone franchisefee die de franchisegever als vergoeding voor het gebruik van en de ontwikkeling van de formule ontvangt. Het gaat om afzonderlijke, voor een bepaald doel geheven bijdragen, zoals een marketing-, reclame- of mogelijk een IT-bijdrage.

Die verplichting is bovendien van dwingend recht. Op grond van artikel 7:922 BW kan ten nadele van een in Nederland gevestigde franchisenemer niet van deze informatieplicht worden afgeweken.

Opschorting bij onvoldoende verantwoording

In de Cafecito-zaak koppelt de voorzieningenrechter deze wettelijke informatieplicht aan het algemene opschortingsrecht van artikel 6:52 BW.

De franchisenemer had slechts een gedeelte van de marketingbijdrage opgeschort. Cafecito verstrekte vervolgens op 22 mei en 16 juni 2026 aanvullende informatie. De rechter gaat er voorshands vanuit dat de franchisenemer tot 16 juni 2026 terecht had opgeschort. Over die periode was daarom ook geen rente verschuldigd.

Vanaf 16 juni 2026 mocht de opschorting echter niet worden voortgezet. Nadat Cafecito aanvullende informatie had verstrekt en vragen had beantwoord, had de franchisenemer concreet moeten aangeven welke informatie volgens hem nog ontbrak en daarover nadere vragen moeten stellen. Dat had hij onvoldoende gedaan.

Dat oordeel verdient enige nuance. De voorzieningenrechter stelt niet uitdrukkelijk vast dat de door Cafecito verstrekte informatie vanaf 16 juni 2026 inhoudelijk volledig aan artikel 7:916 lid 2 BW voldeed. Het oordeel is vooral dat de franchisenemer na ontvangst daarvan onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke tekortkoming nog resteerde.

Geen vrijblijvende verplichting

Deze uitspraak onderstreept het praktische belang van artikel 7:916 lid 2 BW. Een marketingbijdrage is niet zonder meer een bedrag dat de franchisegever kan innen zonder achteraf inzicht te geven in de verhouding tussen inkomsten en bestedingen.

De Rechtbank Midden-Nederland oordeelde in 2023 dat onvoldoende inzicht in de daadwerkelijke reclame- en IT-kosten ertoe leidde dat de desbetreffende fees niet verschuldigd waren. Hoewel de Wet franchise op de betreffende periode nog niet rechtstreeks van toepassing was, gebruikte de rechtbank artikel 7:916 BW en de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk als aanknopingspunt.

mr. A.W. Dolphijn
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten

Artikel De Nationale Franchise Gids: “Verplichting tot herinvesteringen voor franchisenemers kent grenzen” – d.d. 13 oktober 2020 – mr. R.C.W.L. Albers

In de praktijk komt het geregeld voor dat franchisegevers ervoor kiezen om hun franchiseformule en de daarbij passende uitstraling te vernieuwen

Rechter anticipeert op Wet franchise: geen verplichte formulewijziging (zonder drempelwaarde)

De rechtbank Amsterdam oordeelt dat een franchisenemer van Blokker niet verplicht is tot vernieuwing van de winkel volgens de nieuwste formule-uitgangspunten, zoals door Blokker opgedragen is.

Door Alex Dolphijn|05-10-2020|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|

Interview mr. J. Sterk en mr. C. Rutten in Franchise+: “Oproep aan automotive sector: bereid je goed voor op nieuwe Wet franchise” d.d. 2 oktober 2020

De nieuwe Wet Franchise heeft een brede uitwerking, ook in de automotive sector. Maar of men zich er daar voldoende van bewust is?

Artikel De Nationale Franchise Gids – “Coronakorting van 50% op de huur” – mr. A.W. Dolphijn – d.d. 15 september 2020

Tegenvallende omzetten in verband met de coronacrisis kunnen betekenen dat de huurprijs gehalveerd wordt, ook als er sprake is van een deels omzetgerelateerde huur.

Door Alex Dolphijn|15-09-2020|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|

Artikel Franchise+ – “Franchisegever hanteert “afgeleide formule” (zonder dat hij het weet)” – mr. A.W. Dolphijn – d.d. 9 september 2020

Tal van franchisegevers zullen zich niet bewust zijn van het gegeven dat zij een “afgeleide formule” gebruiken zoals bedoeld in de Wet franchise.

Door Alex Dolphijn|09-09-2020|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|
Ga naar de bovenkant