Hof Amsterdam: Autodealers zijn geen franchisenemers
In navolging van de rechtbank stelde het hof op 18 maart 2025 (link naar de uitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2025:673) vast dat autodealers geen beroep kunnen doen op de Wet franchise omdat niet alle dealer- en reparateur-overeenkomsten voldoen aan de definitie van de “franchiseovereenkomst” in de Wet franchise. Daar waar de rechtbank oordeelde dat niet werd voldaan aan het vereiste dat er sprake moet zijn van een “vergoeding”, komt het hof aan een beoordeling daarvan niet toe omdat het hof oordeelt dat niet aan het vereiste “franchiseformule” is voldaan.
Het hof stelt dat er geen sprake is van een recht op en verplichting tot het exploiteren van een formule van de betrokken automerken. De samenwerking werd ook voor de Wet franchise niet als franchise gezien en er zijn volgens het hof geen aanknopingspunten in de wetshistorie om dat na inwerkingtreding anders te zien. Het hof verwijst ter zake ook naar het Europees recht waaruit volgt dat de autobranche wordt gekenmerkt door een systeem van selectieve distributie. Niet de formule en uniformiteit zouden centraal staan maar de (kwaliteits)eisen die worden gesteld aan reparaties en wederverkoop.
Het hof beschouwt de groep dealers en reparateurs bovendien te heterogeen om in zijn algemeenheid voor de gehele groep één kwalificerend oordeel te kunnen geven. Doordat de verenigingen van dealers alleen als groep om een dergelijk oordeel vroegen, oordeelde het hof dan ook niet over individuele situaties. De vraag rijst daarmee of de procedure een andere uitkomst zou kunnen hebben gehad indien de procedure zich had beperkt tot een of enkele sprekende voorbeelden.
De uitspraak is een forse klap in het gezicht van de vertegenwoordiging van autodealers en franchisenemers die in het kader van de Wet franchise altijd samen optrokken. De uitspraak van het hof komt mij echter logisch en consistent voor. Het werpt wel de maatschappelijke vraag op waarom autodealers, die momenteel roerige tijden kennen, de rechtsbescherming moeten ontberen die wel aan franchisenemers is toegekend. Het hof lijkt met dit arrest die vraag weer terug te spelen naar de wetgever. Die momenteel de Wet franchise evalueert.
Gelet op het hoog over karakter van deze uitspraak is de vraag wel interessant in hoeverre in enig dispuut tussen de dealer en de importeur al dan niet sprake zal kunnen zijn van een ander oordeel of enige reflexwerking van de Wet franchise, die immers tot doel dient, de zwakkere partij te beschermen en meer evenwicht te bieden in de handelsrelatie. Die positie lijken franchisenemers en autodealers immers gemeen te hebben.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar sterk@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Leveringsplicht?
Veel afnemers, waaronder franchisenemers, zijn van mening dat in Nederland sprake is van een leveringsplicht, inhoudende dat leveranciers verplicht zijn goederen te leveren indien door een potentiële
Internet in franchiserelaties
Indien in het kader van een franchiserelatie wordt gesproken over internet en e-commerce teneinde de goederen/diensten van de franchise-organisatie langs de digitale weg te verkopen
Franchisevergoedingen
Een voor zowel franchisenemer als franchisegever buitengewoon belangrijk onderwerp dat steevast in de franchise-overeenkomst is opgenomen, betreft de franchisevergoedingen, veelal aangeduid met de ter
Overleg: vormen en mogelijkheden
Overleg tussen de franchisegever en de franchisenemer vindt in de praktijk nogal eens plaats door middel van een franchiseraad.
De zorgplicht van de franchisegever nader benoemt in het kader van de
In de afgelopen jaren heeft inmiddels een ruime hoeveelheid jurisprudentie het licht doen zien betreffende het niet behalen van de prognoses door de franchisenemer.
Arbitrage: voor- of nadeel?
In franchise-overeenkomsten is veelal een geschillenregeling opgenomen welke ziet op de wijze waarop de bij die franchise-overeenkomst betrokken partijen met een eventueel geschil omgaan.