Leveringsplicht?

Mr J. van Koetsveld – Franchise advocaat
Veel afnemers, waaronder franchisenemers, zijn van mening dat in Nederland sprake is van een leveringsplicht, inhoudende dat leveranciers verplicht zijn goederen te leveren indien door een potentiële afnemer een bestelling wordt geplaatst. Meer in het bijzonder zou sprake zijn van een leveringsplicht indien reeds gedurende langere tijd leveringen zijn verricht aan de betreffende afnemer. In het hiernavolgende wordt ingegaan op de vraag of deze veronderstelling een juiste is.

Binnen een franchiserelatie, waarbij de franchisenemer aan te merken is als afnemer en de franchisegever als leverancier, is in veel gevallen sprake van een leveringsverplichting. Met name is dit het geval indien sprake is van een (exclusieve) afnameverplichting voor de franchisenemer, in welk geval de franchisegever in beginsel gehouden is de bestellingen van de franchisenemer uit te leveren. Deze situatie wordt anders op het moment dat de franchisenemer niet aan zijn verplichtingen, met name zijn betalingsverplichtingen, jegens de franchisegever voldoet. Dit kan uiteindelijk leiden tot een leveringsstop dan wel levering die uitsluitend tegen contante betaling geschiedt. 

In veel gevallen zullen franchisenemers en ook franchisegevers eveneens produkten afnemen van derdenleveranciers. In beginsel bestaat in die verhouding geen leveringsverplichting van die leveranciers. De Nederlandse wetgever gaat immers uit van de contractsvrijheid van partijen op grond waarvan een leverancier niet verplicht kan worden zijn produkten aan een afnemer te leveren. Het voorgaande is uitsluitend anders indien sprake is van een contractuele relatie waarin afgesproken is dat de leverancier gedurende een bepaalde periode aan de afnemer zal leveren dan wel indien de leverancier een op grond van de mededingingswet als zodanig te kwalificeren economische machtspositie heeft. Daarvan is overigens slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. 

Zelfs indien er sprake is van een langdurige distributie- dan wel afnamerelatie bestaat in beginsel geen voortdurende leveringsverplichting. Recentelijk heeft de President van de Rechtbank in Leeuwarden zich hieromtrent in kort geding uitgelaten. In casu was sprake van een handelsrelatie van ongeveer dertig jaar, waarbij door de eisende partij jaarlijks honderden merkfietsen van de leverancier werden afgenomen. Tussen partijen waren afspraken gemaakt omtrent de kortingen die de afnemer op basis van het aantal afgenomen fietsen ontving. Bij verkoop aan de consument hanteerde de afnemer lagere verkoopprijzen dan de concurrentie. In verband daarmee had de leverancier van diverse afnemers kritiek ontvangen en had een grote afnemer aangekondigd geen fietsen meer van de leverancier te zullen afnemen indien de leverancier bleef leveren aan de eisende partij. Een en ander heeft er in geresulteerd dat de leverancier op 27 april 2001 de distributierelatie per 1 september 2001 heeft beëindigd, deze beëindiging is vervolgens opgeschort tot 1 december 2001. In kort geding wordt door de afnemer continuatie van de handelsrelatie gevorderd.

De President van de Rechtbank is van oordeel dat de overeenkomst tussen de afnemer en de leverancier in beginsel opzegbaar is. Partijen hebben immers nimmer beoogd dat de overeenkomst in zijn geheel niet opzegbaar zou zijn. Voorts is de President van mening dat 

“Ook indien uit de aard van een specifieke overeenkomst zou volgen dat zij in beginsel zonder meer opzegbaar is kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval meebrengen, dat opzegging slechts tot beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.” 

De President is van oordeel dat de pressie die door de andere afnemers op de leveranciers wordt uitgeoefend commercieel zo riskant is voor de leverancier dat deze een rechtens te respecteren en voldoende zwaarwegend (commercieel) belang heeft bij opzegging van de overeenkomst met de eisende partij. Wel dient daarbij een redelijke opzegtermijn in acht te worden genomen. In het onderhavige geval acht de President een opzeggingstermijn van zes maanden redelijk, aan welke termijn de leverancier zich heeft gehouden. De vorderingen van de eisende partij, de afnemer, worden derhalve afgewezen. Opmerkelijk in deze is dat op basis van mededingingsrechtelijke gronden een ander oordeel wellicht goed mogelijk was geweest.
Op grond van het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat in het algemeen geen sprake is van een leveringsverplichting en dat een langdurige overeenkomst tot levering in beginsel opzegbaar is met inachtneming van een redelijke termijn.
Mr J. van Koetsveld is advocaat te Rotterdam. Het kantoor Ludwig & Van Dam advocaten is gespecialiseerd in franchising.

Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies 

Andere berichten

Artikel Franchise+: “Alleen bij bewijs van overgedragen knowhow kan een beroep gedaan worden op een concurrentieverbod” – mr. T. Meijer – d.d. 26 juli 2021

Door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, is ...

Door mr. T. Meijer|26-07-2021|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|

Artikel De Nationale Franchisegids: De gevolgen van het verstrekken van een foutieve (omzet- en winst)prognose door de franchisegever – mr. K. Bastiaans – d.d. 9 juni 2021

Voorafgaand aan het sluiten van een franchiseovereenkomst verstrekt een franchisegever ...

Ga naar de bovenkant