Neveneffecten van non-concurrentiebedingen
In veel franchise-overeenkomsten is een non-concurrentiebeding opgenomen, zowel tijdens de looptijd van de franchise-overeenkomst als gedurende meestal een jaar na afloop daarvan. De strekking van dat beding is veelal dat het franchisenemer gedurende de looptijd van de franchise-overeenkomst en dat jaar daarna niet is toegestaan, in zijn algemeenheid, met de organisatie van franchisegever concurrerende werkzaamheden te verrichten. Op zichzelf is een dergelijk beding een algemeen aanvaard middel om te voorkomen dat franchisenemers al te makkelijk de via de franchise-organisatie verkregen kennis en know-how gebruiken om langs die weg diezelfde organisatie te beconcurreren. Een onbedoeld neveneffect van dat concurrentiebeding voor zover het ziet op de periode na beëindiging van de franchise-overeenkomst kan echter zijn dat het de franchisenemer onmogelijk wordt gemaakt aan bepaalde verplichtingen te voldoen. Na afloop van de franchise-overeenkomst kan het zo zijn dat de franchisenemer nog diverse handelingen dient te verrichten in verband met hetzij de overdracht hetzij de liquidatie van zijn onderneming. Dergelijke handelingen kunnen op zichzelf in strijd zijn met het concurrentiebeding. Prangender wordt een en ander echter wanneer er sprake is van doorlopende wettelijke verplichtingen. Iets dergelijks komt in de praktijk voor in franchise-organisaties op het gebied van de financiële dienstverlening. Die dienstverlening is geregeld onderworpen aan het regime van de Wet financiële dienstverlening (WFD). In dat kader dient onder meer zeker te zijn dat een assurantieportefeuille van de betrokken franchisenemer adequaat wordt beheerd, los van de duur van een franchise-overeenkomst en dus ook nadat deze om welke reden dan ook is beëindigd. Met name speelt deze problematiek wanneer de betrokken franchisenemer op eigen naam een vergunning uit hoofde van de WFD heeft op basis waarvan hij als assurantie- tussenpersoon kan optreden.
In situaties zoals de onderhavige ligt vanzelfsprekend overleg tussen franchisegever en franchisenemer voor de hand op eventueel gerezen problemen in der minne, en met het belang van de klanten van franchisenemer voorop, op te lossen. Voorts is het raadzaam om waar mogelijk bij het opstellen en de hantering van het bedoelde concurrentiebeding met deze problematiek rekening te houden.
Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten
Structureel ondeugdelijke omzetprognoses van de franchisegever
De rechtbank Limburg heeft op 15 maart 2017 in acht vergelijkbare vonnissen (waaronder ECLI:NL:RBLIM:2017:2344) de franchiseovereenkomsten van diverse franchisenemers van de P3-franchiseformule
Franchisenemer verplicht meewerken aan formulewijziging?
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft zich op 24 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1860, wederom gebogen over de kwestie waarbij Intertoys de winkels van Bart Smit wenst om te bouwen
Leveringsstop van franchisegever niet toegestaan
Op 9 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2017:1372, geoordeeld dat een franchisegever haar verplichting tot belevering van de franchisenemer niet
Alex Dolphijn in het Financiële Dagblad over het arrest van de Hoge Raad inzake Street-One
Franchisegevers eerder aansprakelijk bij foute prognoses Franchisenemers kunnen hun moederorganisatie voortaan makkelijker aansprakelijk stellen voor ondeugdelijke winst en omzetprognoses.
Supermarktbrief – 17
Hoge Raad: Sneller aansprakelijk bij prognoses
Artikel in Entree: “Kleine lettertjes”
“Als ik zaken doe met een leverancier, lees ik nooit de kleine lettertjes. Laatst viel mij op dat er allerlei dingen in staan waar ik het eigenlijk niet mee eens ben.





