Zelfstandigheid van franchisenemers: een nieuwe aflevering

In de praktijk komt het nogal eens voor dat het een franchisegever moeilijk valt nieuwe franchisenemers te werven. De oorzaak daarvoor kan velerlei zijn. Met name in de tweede helft van de jaren 90 was er in zijn algemeenheid een tekort aan arbeidskrachten op de arbeidsmarkt, hetgeen zich eveneens vertaalde in de beschikbaarheid van nieuwe franchisenemers. In zware economische tijden wil het potentiële franchisenemers nog wel eens aan het benodigde kapitaal ontbreken om op zelfstandige basis een onderneming te starten.

Met name die laatste omstandigheid wordt in de praktijk door franchisegevers nog al eens opgevangen door franchisenemers een bepaalde periode als werknemer/filiaalhouder te laten starten, na ommekomst van welke periode zij verzelfstandigen en het filiaal als franchisenemer voortzetten. De franchisenemer koopt dan de onderneming van de franchisegever. In sommige gevallen wordt de overnamesom door middel van een lening of een vergelijkbare constructie door de franchisegever gefinancierd, waarmee de betrokken franchisenemer, ook zonder eigen vermogen, toch, na een zekere proefperiode, het bedrijf voor eigen rekening kan voortzetten.

Op zichzelf zijn constructies als hierboven beschreven heel wel werkbaar. Wel is het zo dat in dergelijke situaties extra dient te worden gelet op de zelfstandigheid van de betrokken franchisenemer(s). Te allen tijde dient natuurlijk te worden voorkomen dat het UWV of de Fiscus bij controle tot de conclusie zouden komen dat er in dit kader sprake is van een zogenaamde fictieve dienstbetrekkingsrelatie: de franchisenemer is dan geen zelfstandig ondernemer waar het betreft de Sociale Verzekeringswetgeving en de Belastingwetgeving, met de in deze rubriek eerder beschreven consequenties tot gevolg, waaronder verval van sociale aftrekmogelijkheden, premieheffing met terugwerkende kracht en allerlei mogelijke boetes. Een en ander klemt in deze situatie meer dan elders omdat de franchisenemer, in het hiervoor beschreven voorbeeld, eerst werknemer van de franchisegever is geweest. Is er dan ook nog sprake van een financieringsconstructie, dan zullen UWV en Fiscus extra kritisch kijken naar het geheel. In zijn algemeenheid is het dan ook sterk aan te bevelen in dit soort situaties een informele toetsing vóóraf te laten verrichten bij UWV en Fiscus, zodat onzekerheden op dit punt tijdig kunnen worden weggenomen en geremedieerd.

Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten

Artikel in Entree: “Nieuwe eigenaar”

“De horecaonderneming waar ik werk is overgenomen. De nieuwe eigenaar zegt nu dat ik niet meer voor hem hoef te werken, maar kan hij mij als werknemer weigeren?”

Bestuurdersaansprakelijkheid bij afwikkeling franchiseovereenkomst

Kan in privé de bestuurder van een franchisenemer-rechtspersoon aansprakelijk zijn jegens de franchisegever, indien de franchisenemer-rechtspersoon ten onrechte zaken niet aan de franchisegever

Artikel in Entree: “Huurprijzen”

“De verhuurder verhoogde jaarlijks de prijzen van het pand, maar sinds 2 jaar doet hij dit niet meer, misschien vergeet hij het wel. Mag hij een achterstallig bedrag later alsnog opeisen?”

Column Franchise + – mr. Th.R. Ludwig: “Op weg naar risicoaansprakelijkheid”

Onlangs heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een prognosekwestie.

Geen geldig beroep op non-concurrentiebeding bij franchising

De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft op 28 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1469, beslist over de vraag of een franchisenemer gehouden kon worden aan een non-concurrentiebeding.

Ga naar de bovenkant