Artikel De Nationale Franchise Gids: “Non-concurrentiebeding: ‘the devil is in the details’ ” – mr. C. Damen – d.d. 2 april 2021

De Rotterdamse rechter bevestigde bij vonnis van 20 januari 2021 weer eens hoe relevant de kleinste details kunnen zijn in de beslechting van geschillen omtrent de eventuele overschrijding van een non-concurrentiebeding in franchiseverband.

In deze kwestie ging het om een franchiseformule voor mobiele autoreiniging en twee van haar voormalige franchisenemers. Op enig moment beëindigen twee franchisenemers de franchiseovereenkomst met de franchisegever, waarna een rechtsgeldig overeengekomen postcontractueel beding van non-concurrentie na afloop van de franchiseovereenkomst haar werking houdt. Desalniettemin overschrijden de franchisenemers in de visie van de franchisegever het postcontractueel beding van non-concurrentie en entameert zij daartoe een procedure.

De franchiseformule van de franchisegever onderscheidt zich in de markt doordat zij een ecologisch alternatief voor aanbiedt voor de bekende wasstraat. Daarbij wordt in de formule aandacht besteedt aan service aan huis of op bedrijfslocatie, specifieke hoogwaardige kwaliteit van stoomreiniging en de mogelijkheid om ook het interieur van de auto te wassen. Geen van de concurrenten van de franchisegever zou een vergelijkbare formule exploiteren. Bovendien werden daarnaast enkele nieuwe diensten binnen de formule aangeboden, zoals lakverzegeling en leerbehandeling. In het formule handboek van de franchisegever staan de werkzaamheden omschreven als: “een ecologisch alternatief voor de wasstraat. Een service voor de gemiddelde autobezitter, consument of zakelijke klant. Geen specialistische service of producten die de concurrentie met autospecialisten aangaan. (…) Service aan huis of op bedrijfslocatie. (…) De kwaliteit van de stoomreiniging is vele malen hoger dan de wasstraat, maar ligt onder die van de poetsbedrijven.”

De relevante vraag die in deze kwestie voorligt, is of de franchisenemers het postcontractuele beding van non-concurrentie, zoals opgenomen in de franchiseovereenkomst, hebben overschreden en zij uit dien hoofde het daaraan gekoppelde bedrag, voortvloeiende uit het boetebeding aan de franchisegever, zijn verschuldigd. Ter beantwoording van deze vraag dient te worden onderzocht of de werkzaamheden die de franchisenemers uitoefenden voor eigen rekening en risico als concurrerend met die van de franchiseformule van de franchisegever kunnen worden beschouwd. De franchisegever meent van wel. Zij voegt daaraan toe dat de franchisenemers het non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst temeer overschrijden door voor eigen rekening en risico reinigingspakketten aan te bieden aan klanten, die gelijk of gelijksoortig zijn aan datgene wat onder de formule van de franchisegever. Daarnaast meent zij dat de franchisenemers naar buiten toe gezamenlijk optrekken onder dezelfde naam en uit dien hoofde eveneens handelen in strijd met het post-contractuele beding van non-concurrentie.

De franchisenemers zijn van mening dat ze het postcontractuele beding van non-concurrentie niet hebben overschreden. Zij voeren daartoe aan dat van gelijke of gelijksoortige activiteiten geen sprake is. Evenmin zou sprake zijn van het aanbieden van pakketten buiten hun werkgebied, nu de garage van een van de franchisenemers niet in het werkgebied van de franchisegever bevindt. De rechter onderschrijft de zienswijze van de franchisenemers, in die zin dat in haar visie het gezamenlijk optrekken onder dezelfde naam nog niet betekent dat zij het postcontractuele beding van non-concurrentie overschrijden. De strekking van een dergelijk beding houdt volgens de rechter in dat een franchisegever wil voorkomen dat een franchisenemer vanuit de franchisesamenwerking verkregen kennis en knowhow gebruikt om concurrerende activiteiten te ontplooien.

Over de vraag of de franchisenemers betrokken zijn bij activiteiten die gelijk of gelijksoortig zijn aan die van de franchisegever overweegt de rechter dat sprake dient te zijn van hetzelfde soort activiteiten als die van de franchisegever. Daarbij is van belang om vast te stellen welke activiteiten de franchisegever aanbiedt.  In dit geval meent de rechter dat de franchisenemers in hun werkzaamheden auto’s reconditioneren – ook wel cardetailing genaamd – en dat dit specialistisch werk is. Gedurende de procedure heeft een deskundige bevestigd dat cardetailing een combinatie van werkzaamheden omvat die elkaar opvolgen en dat een perfecte staat van de autolak niet kan worden bereikt als de lak niet tot in detail schoon is.

Vaststaat dat de franchisenemers deze activiteiten uitvoeren in eigen werkplaats en juist niet, zoals in de formule van de franchisegever het geval is, op locatie.  Bovendien biedt de franchisegever geen specialistische service of producten aan die de concurrentie met autospecialisten aangaan en ligt de kwaliteit van haar stoomreiniging onder die van de poetsbedrijven. Gelet hierop is de rechter van mening dat de vordering van de franchisegever te ruim is geformuleerd. Het moet gaan om concurrerende activiteiten en dat is niet het geval wanneer reinigen wordt uitgevoerd als noodzakelijk onderdeel van cardetailen, wat qua autoverzorging nog een stap verder gaat dan de reiniging door poetsbedrijven.

Uit het voorgaande volgt dat er geen sprake is van overtreding door de franchisenemers van het postcontractuele beding van non-concurrentie uit de met de franchisegever gesloten franchiseovereenkomsten. Daarom worden de vorderingen van de franchisegever afgewezen en zij als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld.

Relevant voor de franchisepraktijk is daarom om nauwkeurig te beschrijven wat voor specifieke werkzaamheden als concurrerende werkzaamheden met die van de formule kunnen worden beschouwd. Het verdient daarom de aanbeveling om u voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst in dat kader goed te laten adviseren. Voorkomen is tenslotte beter dan genezen.

Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar info@ludwigvandamadvocaten.nl
Download dit artikel

Andere berichten

Contractuele vereisten voor ontbinding niet in acht genomen? Geen rechtsgeldige ontbinding van de franchiseovereenkomst – d.d. 23 juli 2020 – mr. C. Damen

Mag een franchisegever de franchiseovereenkomst ontbinden wanneer zij haar eigen contractuele voorschriften niet in acht heeft genomen?

Door mr. C. Damen|23-07-2020|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|

Wettelijk verbod op eenzijdig wijzigen van openingstijden door franchisegever – 13 juli 2020 – mr. J. Sterk

Wetsvoorstel staatssecretaris dat, kort samengevat, inhoudt dat de winkelier niet gebonden mag zijn aan eenzijdige wijziging van de openingstijden, gedurende de looptijd van de overeenkomst.

Door Jeroen Sterk|13-07-2020|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|

Geen recht op verlenging franchiseovereenkomst – 6 juli 2020 – mr. A.W. Dolphijn

Mag een franchisegever verlenging van de franchiseovereenkomst weigeren indien de franchisenemer niet instemt met gewijzigde voorwaarden van een nieuw te sluiten franchiseovereenkomst?

Door Alex Dolphijn|06-07-2020|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|Label: , , |

Gerechtshof Amsterdam beperkt beroep franchisegever op concurrentieverbod – d.d. 6 juli 2020 – mr. T. Meijer

Door het gerechtshof Amsterdam is op 30 juni 20202 geoordeeld dat aan een franchisegever geen (onbeperkt) beroep op een contractueel concurrentieverbod toekomt.

Kwalitaria-franchisenemer in zijn hemd gezet – d.d. 2 juli 2020 – mr. J.A.J. Devilee

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft een vonnis gewezen in een door een franchisenemer van Kwalitaria gestarte gerechtelijke procedure.

Door mr. J.A.J. Devilee|02-07-2020|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|Label: , , |
Ga naar de bovenkant