Het klantenbestand van de franchisenemer
Als de samenwerking tussen een franchisenemer en een franchisegever eindigt, kan de vraag opkomen wie de klanten zal blijven bedienen. Vanzelfsprekend hebben de klanten hier een stem in, maar de franchisegever en de franchisenemer kunnen onderling afspraken maken over de mogelijkheden om de betreffende klanten al dan niet te bedienen. Als de regels hierover niet helder in de franchiseovereenkomst uiteengezet zijn, kan de onduidelijkheid daarover tot een kluwen aan juridische procedures leiden.
Een franchisenemer die gebruik maakte van de mogelijkheid om een franchiseovereenkomst eenzijdig op te zeggen, wenste de bediening van bepaalde klanten voort te zetten. De franchisegever meende evenwel dat het voortzetten van de bediening van die klanten in strijd is met de franchiseovereenkomst. De rechtbank Amsterdam had op 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:5094) geoordeeld dat de franchisegever en de franchisenemer weliswaar gesproken hadden over een beëindigingsovereenkomst en de verdeling c.q. toedeling van bepaalde klanten, maar van een definitieve regeling was geen sprake. Daarmee bleven de regels in de franchiseovereenkomst op dit punt onverminderd van kracht. De rechtbank meent dat de bepalingen in de franchiseovereenkomst zeker niet uitblinken in helderheid en bepaalde leemten bevatten. In de franchiseovereenkomst was namelijk bepaald dat de franchisenemer de franchiseovereenkomst eenzijdig kan opzeggen en dat de franchisenemer in dat geval verplicht is om alle omzet over te dragen aan de franchisegever. De franchisenemer stelt dat dit beding betekent dat zij verplicht is om de omzet te koop aan te bieden, welke aanbieding verworpen zou kunnen worden. De franchisegever meent echter dat er geen sprake is van een aanbiedingsplicht, maar een verplichting om de bediending van de klanten hoe dan ook over te dragen. De rechtbank volgt de visie van de franchisegever en stelt vast dat de franchisenemer verplicht is om de schade, die daar het gevolg van is, te vergoeden aan de franchisegever.
In de separate schadestaatprocedure vordert de franchisegever de omvang van schadevergoedingsplicht vast te stellen. In die schadestaatprocedure overweegt de rechtbank twee verschillende scenario’s. Als eerste het scenario waarbij de franchisenemer zijn klantenbestand aan franchisegever had overgedragen tegen een bepaalde koopprijs. De rechtbank overweegt dat dit scenario niet goed denkbaar is, omdat de franchisegever al (over)vol zat in het werk en er geen ruimte was voor de bediening van nog meer klanten.
Een tweede scenario is dat het klantenbestand zou worden overgedragen aan een nieuwe franchisenemer. In dat geval zal de schade voor de franchisegever bestaan uit het mislopen van de omzetfee van 8% die in dat geval door de nieuwe franchisenemer verschuldigd zou zijn voor de duur van de franchiseovereenkomst van vijf jaar. De rechtbank volgt deze visie, met dien verstande dat de franchisefee vastgesteld wordt op een lager percentage van 5%. De rechtbank Amsterdam stelde bij vonnis van 11 oktober 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:7310) de schade vast op zo’n € 14.000,-.
In deze schadestaatprocedure had de franchisenemer nog aan de rechtbank tegengeworpen dat zij in hoger beroep was gekomen tegen het eerdere veroordeling van het vonnis van 24 augustus 2016. De rechtbank oordeelde echter dat dit vonnis uit 2016 uitvoerbaar bij voorraad verklaard was en dat op die basis alsnog de franchisenemer veroordeeld kan worden tot vergoeding van de schade.
Daarna, op 17 oktober 2017, wordt door het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2017:4229) geoordeeld in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 24 augustus 2016. Het gerechtshof bevestigt de eerder gedane uitspraak. Daarmee staat ook de uitspraak in de schadestaatprocedure vast, behalve dan voor zover ook tegen die uitspraak, waarin de omvang van de schade vastgesteld wordt, hoger beroep openstaat.
Het maken van heldere afspraken over de bediening en de benadering van klanten bij beëindiging van de franchiseovereenkomst zou kunnen bijdragen aan het voorkomen van de escalatie in juridische geschillen, zoals in het onrechtmatige geval.
Mr. A.W. Dolphijn – franchiseadvocaat
Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies. Wilt u reageren? Ga naar dolphijn@ludwigvandam.nl.

Andere berichten
Franchising is “een knelpunt in de aanpak van zorgfraude” – d.d. 10 juni 2020 – mr. A.W. Dolphijn
Volgens de diverse toezichthoudende instanties in de zorgsector kunnen franchiseconstructies gezien worden als een niet-transparante bedrijfsconstructie waarbij het toezicht op professionele en intege
Artikel Franchiseplus: “Franchisegevers participeren in franchisenemers”- d.d. 3 juni 2020 – mr. A.W. Dolphijn
Steeds vaker participeren franchisegevers in de onderneming van de franchisenemer. Er zijn diverse voordelen te bedenken voor zowel de franchisenemer als de franchisegever.
Artikel De Nationale Franchise Gids – “Corona-korting op huur” – d.d. 2 juni 2020 – mr. A.W. Dolphijn
Als een huurpand verplicht gesloten is vanwege corona, dan kan er sprake zijn van een recht op huurprijsvermindering, aldus de rechtbank Noord-Nederland.
Artikel Franchise+ – Franchisenemers genieten, wat betreft een concurrentiebeding, dezelfde bescherming als werknemers en handelsagenten – d.d. 7 mei 2020 – mr. R.C.W.L. Albers
Het komt nogal eens voor dat, met name door franchisenemers, te lichtvaardig wordt gedacht over de geldigheid van een postcontractueel beding van non-concurrentie.
Het steunakkoord voor de Retailsector in deze Coronacrisis – d.d. 15 april 2020 – mr. K. Bastiaans
Op 10 april 2020 heeft het Ministerie van Economische Zaken samen met een aantal verhuurders, retailers en banken een Steunakkoord bereikt.
Rechtbank oordeelt dat coronacrisis geen overmacht oplevert – d.d. 10 april 2020 – mr. A.W. Dolphijn
Als er niet betaald kan worden door het teruggelopen van inkomsten, dan is er niet altijd sprake van een overmacht situatie.




