Opheffing non-concurrentiebeding door franchisenemer

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 22 juni 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:7353) een franchisenemer afgestraft, omdat deze voor een tweede maal in kort geding over hetzelfde procedeerde, te weten of het non-concurrentiebeding gelding had.

Een franchisegever had de franchiseovereenkomst tussentijds ontbonden, omdat de franchisenemer de samenwerking zou verstoren. De franchisenemer had voorts in kort geding de nakoming van de franchiseovereenkomst gevorderd. Daarbij had de franchisenemer tevens gevorderd dat zij haar bestaande relaties kon blijven bedienen en gevorderd de franchisegever te verbieden om direct, dan wel indirect contact met de relaties van de franchisenemer te hebben. De franchisegever wees op het non-concurrentieverbod dat contractueel met de franchisenemer overeengekomen was. De franchisenemer had daarop gesteld dat zij het post non-concurrentiebeding niet kon tegenwerpen, omdat zij de rechten uit de franchiseovereenkomst reeds aan een ander had overgedragen. De voorzieningenrechter had in dat kort geding de vordering van de franchisenemer afgewezen, mede omdat de zaak niet geschikt was om in kort geding te worden beoordeeld. 

In de onderhavige procedure vordert de franchisenemer schorsing en opheffing van het post non-concurrentiebeding. De voorzieningenrechter oordeelt in onderhavige procedure dat de franchisenemer onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die het thans wel mogelijk maken om ter zake in kort geding een oordeel te vellen. De conclusie is dat ook de onderhavige vorderingen van de franchisenemer in kort geding niet toewijsbaar zijn.

De proceskosten van de franchisegever dienen integraal vergoed te worden door de franchisenemer wegens misbruik van procesrecht en worden begroot op € 4.750,-, waarvan € 4.137,– aan salaris advocaat, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en btw, en € 613,- aan griffierecht.

Deze uitspraak illustreert dat misbruik van procesrecht afgestraft kan worden met een flinke kostenveroordeling bij wijze van vergoeding van schade aan de wederpartij voor het nodeloos moeten procederen. 

 

Mr A.W. Dolphijn – Franchiseadvocaat

Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies. Wilt u reageren? Mail naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten

Ludwig & Van Dam Advocaten staat franchisenemers Sandd bij: Franchisenemers Sandd vechten postmonopolie aan voor de rechter – d.d. 12 november 2019 – mr. A.W. Dolphijn

De Vereniging Franchisenemers van Sandd (VFS) vecht bij de rechtbank in Rotterdam het besluit aan van staatssecretaris Mona Keijzer om de postfusie tussen PostNL en Sandd goed te keuren.

Door Alex Dolphijn|12-11-2019|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|Label: , |

Franchisenemer klem door concurrentiebeding? – d.d. 21 oktober 2019 – mr. A.W. Dolphijn

De rechtbank Oost-Brabant heeft beslist dat een franchisenemer bij tussentijdse beëindiging van de franchiseovereenkomst toch gehouden was aan het opgenomen concurrentieverbod.

Koppeling franchiseovereenkomst en huurovereenkomst onzeker? – d.d. 14 oktober 2019 – mr K. Bastiaans

Het is binnen een franchiserelatie geen uitzondering dat partijen overeenkomen dat de franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Door mr. K. Bastiaans|14-10-2019|Categorieën: Franchise-kenniscentrum/ Nationale Franchise- en Formulebrief-publicaties|

Beëindiging franchiseovereenkomst bij wijzigingen in gehuurde winkelruimte – 27 september 2019 – mr. A.W. Dolphijn

Opzegging van een franchiseovereenkomst in het licht van het substantieel wijzigen van de gehuurde winkelruimte.

Artikel De Nationale Franchisegids: “Verdeling van (potentiële) klanten verboden?” – 17 september 2019 – mr. A.W. Dolphijn

Binnen veel franchiseorganisaties worden afspraken gemaakt over de werving van (potentiële) klanten in een bepaald gebied.

Ga naar de bovenkant