Voordeel bij een onrechtmatige leveringsstop
Aan de Hoge Raad is een geschil voorgelegd waarbij een franchisegever een leveringsstop had doorgevoerd bij een franchisenemer.
Niet in geschil is dat de franchisenemer recht heeft op vergoeding van schade als de franchisegever ten onterechte een leveringsstop doorvoerde. Geldt dat recht op schadevergoeding ook als de franchisenemer dezelfde goederen via een andere leverancier toch heeft ingekocht?
-De rechtbank had de franchisegever veroordeeld tot vergoeding van een substantiële schade als gevolg van de onrechtmatige leveringsstop. Het gerechtshof Amsterdam 20 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:137 oordeelde dat van die schade geen sprake was, omdat de franchisenemer een vervangende overeenkomst gesloten had op basis waarvan dezelfde goederen ingekocht werden door de franchisenemer. De franchisenemer was het daarmee niet eens en stelde cassatie in bij de Hoge Raad.
In zijn arrest HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2180 (Luxembourg/Habitat) wordt geoordeeld dat de vraag van feitelijke aard is en geen rechtsklacht. A-G Wissink had desalniettemin een interessante conclusie geschreven.
In de conclusie van A-G Wissink d.d. 17 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:903 wordt er op gewezen dat het gerechtshof terecht het voordeel van de vervangende overeenkomst betrokken had, omdat de vervangende overeenkomst de feitelijke situatie is waarin de franchisenemer na het tekortschieten van de franchisegever in is komen te verkeren. De Hoge Raad oordeelde eerder dat van voordeelstoerekening slechts sprake kan zijn als de schade en het voordeel uit “een zelfde gebeurtenis” voortvloeien. Zie HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3402 (Vos/TSN) en HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4012 (Van der Heijden/Dexia).
Drie weken na deze conclusie van A-G Wissink wordt er in een geheel andere kwestie door de Hoge Raad geoordeeld dat voordeelstoerekening alleen mogelijk is als het voordeel opgekomen is, omdat er sprake was van een normschending door de wederpartij, en zulks redelijk is. Zie HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483 (ABB/TenneT). Dat arrest lijkt aan te sluiten bij de conclusie van de A-G van 17 juni 2016.
Het argument dat de franchisegever wegkomt met haar wanpresteren, dankzij de vervangende overeenkomst die door inspanningen van de franchisenemer gesloten is, slaagt dus niet.
Mr. A.W. Dolphijn – Franchiseadvocaat
Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Ga naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Overschot in marketingfonds: kan de franchisenemer schadevergoeding eisen?
De Rechtbank Noord-Holland heeft op 23 september 2026 (ECLI:NL: RBNHO:2026:13072) ...
Geen verantwoording over marketingbijdrage: mag de franchisenemer betaling opschorten?
De Rechtbank Amsterdam heeft op 24 augustus 2026 een interessante ...
Cyberbeveiligingswet en franchise: wanneer wordt de franchisegever ICT-dienstverlener?
Sinds 15 augustus 2026 is de Cyberbeveiligingswet van kracht. De ...
Verlieslatende franchisevestiging: stoppen of toch door?
Een franchisevestiging draait financieel slecht. De franchisenemer wil stoppen, ...
Tussentijdse beëindiging franchise: niet alle resterende franchisefees zijn automatisch schade
Wat is de schade van een franchisegever wanneer een franchisenemer ...
Supermarktfranchise in Nederland en België: een verschil in bescherming
Jeroen Sterk schreef in APLSIA Magazine, het Franstalige Belgische vakmagazine ...





