Artikel De Nationale Franchise Gids: “Franchisenemer uitsluitend gebonden aan non-concurrentiebeding als besloten vennootschap” – mr. M. Munnik – d.d. 11 januari 2022
Op 22 december 2021 heeft de rechtbank Rotterdam een (tussen-)vonnis gewezen omtrent de geldigheid van het non-concurrentiebeding welke is opgenomen in de franchiseovereenkomst van een franchiseformule voor de bemiddeling tussen zelfstandige zorghulpverleners en zorginstellingen. Het valt op dat de discussie omtrent de geldigheid van het non-concurrentiebeding steeds vaker wordt voorgelegd aan de rechter. De uitkomsten van deze feitelijke discussies lijken (steeds meer) uiteen te lopen. Opmerkelijk in deze kwestie is echter dat de rechtbank weliswaar oordeelt dat het non-concurrentiebeding geldt, maar uitsluitend voor de besloten vennootschap waarmee de franchisevestiging wordt geëxploiteerd. De natuurlijke persoon achter deze B.V. is echter niet aan het non-concurrentiebeding gehouden.
Onder verwijzing naar de afhankelijke positie van franchisenemer en het feit dat naar de mening van franchisenemer geen sprake is van knowhow die voor bescherming in aanmerking komt, vordert franchisenemer vernietiging van het non-concurrentiebeding (geldig voor een jaar na afloop van de franchiseovereenkomst), althans beperking van de werking ervan. De rechtbank oordeelt echter dat franchisegever belang heeft bij de handhaving van het non-concurrentiebeding en relatiebeding omdat voldoende is gemotiveerd dat sprake is geweest van de overdracht van knowhow.
Alhoewel aldus het non-concurrentiebeding geldt wordt de werking op verschillende wijze alsnog beperkt.
Allereerst oordeelt de rechtbank dat het non-concurrentiebeding uitsluitend geldt voor de besloten vennootschap en niet voor de natuurlijke persoon ‘achter de exploitatie’ (welke beide partij zijn in deze kwestie). De rechtbank legt hieraan ten grondslag dat na de oprichting van de franchisevestiging als eenmanszaak franchisegever heeft ingestemd met het inbrengen van deze eenmanszaak in een besloten vennootschap. Vanaf dat moment is de eenmanszaak (en aldus de natuurlijke persoon) geen partij meer bij de franchiseovereenkomst. Het is naar de mening van franchisegever echter nooit de bedoeling geweest om de franchisenemer als ‘natuurlijk persoon’ van het non-concurrentiebeding en relatiebeding te ontheffen. De rechtbank oordeelt echter dat de besloten vennootschap heeft te gelden als franchisenemer.
Daarnaast heeft franchisenemer ook bezwaar aangevoerd tegen het feit dat het non concurrentiebeding in geografisch opzicht onbeperkt is. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de werking van het non-concurrentiebeding te beperken en daarvoor aansluiting te zoeken bij de rayons waarbinnen franchisenemer op basis van de franchiseovereenkomst actief was. Hier lijkt de rechtbank aansluiting te zoeken bij de Wet franchise. Op basis van de Wet franchise mag de geografische reikwijdte van een non-concurrentiebeding immers niet ruimer zijn dan het gebied waarbinnen de franchisenemer de franchiseformule op grond van de betreffende franchiseovereenkomst heeft geëxploiteerd. De Wet franchise bepaalt overigens tevens dat wanneer een non-concurrentiebeding is opgenomen in strijd met deze restrictie, het beding nietig is. Zover lijkt de rechtbank in haar oordeel echter niet te gaan. Mogelijk speelt hier mee dat de Wet franchise nog niet van toepassing was op deze franchiseovereenkomst.
Het oordeel van de rechtbank biedt franchisenemer aldus de mogelijkheid de exploitatie van haar onderneming voort te zetten buiten het exclusieve gebied. Tevens lijkt uitsluitend de besloten vennootschap gebonden te zijn aan het non-concurrentiebeding waardoor door wijziging van de entiteit door de natuurlijke persoon exploitatie mogelijk is binnen het rayon tijdens de looptijd van het non-concurrentiebeding. Uit deze uitspraak blijkt maar eens dat partijen er goed aan doen om wijzingen in hun ondernemingsvorm en de gevolgen daarvan goed vast te leggen.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar munnik@ludwigvandam.nl
Andere berichten
Franchisenemer mag assortiment vreemd inkopen na verplichte formulewijziging – 6 juni 2019 – mr. J.A.J. Devilee
De rechtbank Oost-Brabant heeft zich onlangs in kort geding gebogen over een belangwekkende kwestie waarin een franchisenemer geheel onvrijwillig een alternatieve formule opgedrongen heeft gekregen.
Hoe behoud ik mijn vestigingsplaats? – 6 juni 2019 – mr. K. Bastiaans
Voor franchisegevers en franchisenemers is, met name in de detailhandel, de vestigingsplaats van groot belang.
Supermarktbrief – 25
Supermarktnieuwsbrief nr. 25
De toetsingsmaatstaf voor franchiseprognoses – d.d. 29 mei 2019 – mr. A.W. Dolphijn
Het hof Den Bosch heeft op 19 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1037, de rechtspraak van de Hoge Raad over prognose bij franchising op een rij gezet.
Arbitrage binnen franchise: een te hoge drempel? – mr. M. Munnik
Bij het aangaan van een overeenkomst is het voor partijen mogelijk – in afwijking van de wet - om een bevoegde rechter aan te wijzen. Dit geldt ook voor de franchiseovereenkomst. Van deze mogelijkheid
Beroep franchisenemer op dwaling wegens ondeugdelijke prognoses en gebrek aan ondersteuning verworpen – d.d. 25 april 2019 – mr. K. Bastiaans
Het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde (ECLI:NL:GHSHE:2019:697) over de vraag of het enkele feit dat prognoses niet zijn uitgekomen, de conclusie rechtvaardigt dat de franchisenemer tekort is gedaan...




