Dienstverlening en franchise: naar een nieuw franchisemodel
De laatste jaren laten een enorme variatie van franchiseformules in de dienstverlening zien; in de hotelbranche, het bankwezen, de uitzendbranche, de kinderopvang, de ouderenzorg enzovoorts. Veel van deze franchiseformules kenmerken zich door een permanente, vaak ingrijpende, wijziging van de dienstverlening en daarmee van de franchiseformule zelf. Veel (reguliere) franchiseovereenkomsten in de dienstverlening zijn hier echter niet op ingericht. Bedingen die pogen te realiseren dat franchisenemers dienen mee te bewegen met de ontwikkeling van de franchiseformule zijn hier veelal niet voor toereikend: niet zelden wijzigt een specifieke mix van exclusiviteit van het gebied/klantenkring van de franchisenemer, klanteigendom, overdrachtsregelingen, waaronder goodwill en exit-strategieën in relatie tot het (destijds) gepretendeerde verdienmodel dusdanig dat algehele tussentijdse revisie van de gehele franchiseorganisatie een project wordt waar franchisegever en franchisenemers zich vervolgens aan vertillen. Een al dan niet goed functionerend overleg tussen partijen doet daar niet aan af: de impact van continuë strategiewijzigingen op de juridische context van het geheel is eenvoudigweg te groot; de gebruikelijke bestaande franchisemodellen blijken hier dan ook veelal niet tegen bestand.
Overigens komt de behoefte dan wel noodzaak tot fundamentele heroriëntatie ook nogal eens uit de wetgevende hoek. Structurele wijzigingen in bijvoorbeeld de Wet Kinderopvang, de Wet Financiële Transacties, of richtlijnen in de zorg noodzaken eenvoudigweg regelmatig tot een geheel andere aanpak. Diverse toezichthouders herinneren hier vervolgens op een wijze aan, die weinig misverstand laat bestaan omtrent nieuw te kiezen gedragslijnen en dito wijzigingen van de franchiseformules.
Niet zelden vertaalt zich dit in de praktijk in een nieuw keurslijf dat op onderdelen veel te directief is of teveel gedetailleerde afspraken tussen franchisegever en franchisenemer zo tot in extenso beschrijft, dat de marktwerking hierdoor wordt verstoord. Het gevolg is een vernieuwde franchiseorganisaties waar grote risico’s worden genomen met betrekking tot het risico op een fictieve dienstbetrekking, waarbij tevens mededingingsrechtelijke inbreuken ontoelaatbaar besloten liggen in het geheel.
Bij diverse dienstverleningsformules valt dan ook te overwegen te gaan werken met een alternatief, modulair systeem. Hierbij wordt een basis-franchiseovereenkomst gehanteerd, waarbij vervolgens op diverse onderdelen geanticipeerd wordt op mogelijk toekomstige wijzigingen van diverse aard. Langs die weg ontstaat een nieuwe, open samenwerkingsrelatie, waarbij vanzelfsprekend waarborgen voor de uitgangspunten, de kwaliteit en de toekomst van de franchiseorganisatie zijn gewaarborgd. Een gelijkwaardig en volwassen overleg tussen franchisegever en franchisenemers is een basisvoorwaarde voor het welslagen van deze door de praktijk geboden nieuwe samenwerkingsvorm.
Inmiddels zijn enkele franchiseorganisaties op deze alternatieve wijze opgetuigd dan wel geherstructureerd, en wel met veel succes. De kern van dit succes is gelegen in een nieuw, toekomstbestendig verwachtingspatroon voor zowel franchisegever als franchisenemers, en voorkomt de in de praktijk zoveel voorkomende spanningsvelden die samenhangen met het vasthouden aan reguliere franchiseovereenkomsten die niet rekening houden met het (on)regelmatig wisselend tij, zo kenmerkend voor vele franchiseformules in de dienstverlening. Het kan overigens bepaald geen kwaad dat in de retail diverse bruikbare elementen uit de ontwikkelingen in de diverse franchisefomules in de dienstverlening nieuwe stijl nader worden geëvalueerd en daar waar geïndiceerd overgenomen. Dit vindt thans echter nog maar zeer beperkt plaats.
Mr Th.R. Ludwig – franchiseadvocaat
Ludwig & Van Dam Franchise advocaten,franchise juridisch advies Wilt u reageren? Mail naar info@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Supermarktbrief – 25
Supermarktnieuwsbrief nr. 25
De toetsingsmaatstaf voor franchiseprognoses – d.d. 29 mei 2019 – mr. A.W. Dolphijn
Het hof Den Bosch heeft op 19 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1037, de rechtspraak van de Hoge Raad over prognose bij franchising op een rij gezet.
Arbitrage binnen franchise: een te hoge drempel? – mr. M. Munnik
Bij het aangaan van een overeenkomst is het voor partijen mogelijk – in afwijking van de wet - om een bevoegde rechter aan te wijzen. Dit geldt ook voor de franchiseovereenkomst. Van deze mogelijkheid
Beroep franchisenemer op dwaling wegens ondeugdelijke prognoses en gebrek aan ondersteuning verworpen – d.d. 25 april 2019 – mr. K. Bastiaans
Het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde (ECLI:NL:GHSHE:2019:697) over de vraag of het enkele feit dat prognoses niet zijn uitgekomen, de conclusie rechtvaardigt dat de franchisenemer tekort is gedaan...
Artikel De Nationale Franchise Gids: “Steeds meer bescherming tegen ronselen franchisenemers” – d.d. 2 april 2019 – mr. A.W. Dolphijn
Steeds vaker blijkt dat geronselde franchisenemers beschermd kunnen worden op basis van de Wet Acquisitiefraude.
De franchisenemersvereniging en de binding van franchisenemers – Contracteren 2019, nr. 1
Een bijdrage over veelvoorkomende bepalingen in franchiseovereenkomsten waarbij is bepaald dat een franchisenemer verplicht lid is van een franchisenemersvereniging.




