Geen dossier, geen franchiseovereenkomst
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 7 juli 2026 vonnis gewezen in een kort geding tussen een franchisegever van fastfoodrestaurants en zijn franchisenemer (ECLI:NL:RBDHA:2026:20264, gepubliceerd op 6 augustus 2026). De vorderingen tot nakoming van de franchiseovereenkomst, tot betaling van de instapfee en tot staking van het aanhaken bij de formule zijn alle afgewezen. Doorslaggevend was dat niet is gebleken dat de franchisegever aan zijn precontractuele informatieplicht heeft voldaan, terwijl zijn beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid die schending niet kon herstellen.
De feiten
De franchisegever exploiteert een formule van fastfoodrestaurants die onder meer loaded fries, wraps, burgers, sides en sauzen aanbieden. Partijen hebben in 2025 een franchiseovereenkomst ondertekend voor de duur van vijf jaar, met een eenmalige instapfee van € 12.000 en een postcontractueel verbod op het exploiteren van een soortgelijk concept.
In het door de franchisegever aangedragen pand heeft de franchisenemer echter geen vestiging van de formule geopend, maar een eigen fastfoodrestaurant onder een andere naam, met een vergelijkbaar assortiment. De instapfee is niet betaald. Nadat de franchisegever had gesommeerd, heeft de franchisenemer op 9 maart 2026 de franchiseovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd op de grond dat de precontractuele informatieplichten van artikel 7:913 BW niet zijn nagekomen.
De precontractuele informatieplicht
De franchisenemer heeft aangevoerd dat een deel van de bijlagen bij de franchiseovereenkomst niet is verstrekt, dat evenmin informatie is verstrekt over de te betalen vergoedingen, over de vorm en frequentie van het overleg en over de financiële gegevens met betrekking tot de beoogde locatie, en dat de standstillperiode van artikel 7:914 BW — de termijn van vier weken voor beraad — niet in acht is genomen. De franchisegever heeft daartegenover betoogd dat de franchisenemer de overeenkomst heeft ondertekend en dat het niet geloofwaardig is dat hij toen niet over de bijlagen beschikte, mede omdat hij die informatie thans bij de exploitatie van zijn eigen restaurant gebruikt.
Dat betoog wordt verworpen. Er is geen correspondentie overgelegd waaruit tijdige verzending blijkt. Uit de enkele ondertekening volgt niet dat de bijlagen ter beschikking stonden, laat staan dat dit vier weken vóór ondertekening het geval was. Op het gestelde ontbreken van de overige informatie, waaronder de financiële gegevens, is niet gereageerd. Daarmee is aannemelijk dat de bodemrechter het beroep op vernietiging zal honoreren.
De ruimte voor een beroep op redelijkheid en billijkheid
Het inhoudelijk meest relevante onderdeel van het vonnis betreft het verweer dat het beroep op vernietiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De aangevoerde omstandigheden waren op zichzelf niet zonder gewicht: de franchisenemer had de overeenkomst ondertekend, de instapfee onbetaald gelaten en was met een vergelijkbaar concept van start gegaan in het door de franchisegever aangedragen pand, terwijl zijn broer bij de formule een driedaagse opleiding had gevolgd en daar enige tijd werkzaam was geweest.
De voorzieningenrechter oordeelt niettemin dat van onaanvaardbaarheid geen sprake is. De precontractuele informatieplicht strekt ter bescherming van de franchisenemer en voor het ontnemen van die bescherming geldt een hoge drempel. Dat de franchisenemer een vergelijkbaar restaurant is begonnen, is daartoe in ieder geval onvoldoende, en ook de opleiding en werkervaring van zijn broer blokkeren het beroep op vernietigbaarheid niet.
Daarmee sluit dit vonnis aan bij het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 juli 2026, waarin is geoordeeld dat het nadeel reeds besloten ligt in de schending van de wettelijke termijn zelf en dat voor een individuele belangenafweging geen ruimte bestaat, omdat de wetgever die afweging reeds heeft gemaakt (zie Gerechtshof bevestigt: standstillperiode beschermt ook de overenthousiaste franchisenemer en de toelichting daarop op LinkedIn). Wederom is bevestigd dat de standstillperiode en de precontractuele verplichtingen niet spoedig kunnen worden gepasseerd met een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Gedragingen van de franchisenemer ná het sluiten van de overeenkomst herstellen een gebrek dat aan de totstandkoming daarvan kleeft, niet.
Buiten de overeenkomst om
Ook op de grondslagen onrechtmatige daad en intellectuele eigendom worden de vorderingen afgewezen. Het gaat om generieke producten, zodat het de franchisenemer in beginsel vrijstaat deze te verkopen, ook indien daarbij een vergelijkbare bereidingswijze wordt gehanteerd. De wijze van presenteren volgt uit de aard van het gerecht en is onvoldoende onderscheidend. Van een intellectueel eigendomsrecht op de receptuur — anders dan het geregistreerde merk — is niet gebleken, evenmin als van het gebruik daarvan door de franchisenemer. Verwarringsgevaar is niet aannemelijk geworden: de inrichting van de vestigingen verschilt, de handelsnamen stemmen niet overeen en de formule heeft geen vestiging in de plaats van vestiging van het nieuwe restaurant.
Betekenis voor de praktijk
- De informatieplicht van artikel 7:913 BW veronderstelt een aantoonbaar dossier: vastgelegd moet zijn wat wanneer aan wie is verstrekt, met bewaring van de verzendbewijzen. De ondertekening van de overeenkomst levert op zichzelf geen bewijs op dat de bijlagen zijn verstrekt.
- Een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid tegenover de dwingendrechtelijke bescherming van de franchisenemer vergt uitzonderlijke omstandigheden. Het latere gedrag van de franchisenemer — een concurrerende start, een onbetaalde vergoeding, elders verworven kennis — volstaat daartoe niet.
- Wie zijn formule ook buiten de overeenkomst om beschermd wil weten, is aangewezen op zelfstandig beschermbare elementen. Generieke producten, bereidingswijzen en presentatie bieden die bescherming niet.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar albers@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Rechter anticipeert op Wet franchise: geen verplichte formulewijziging (zonder drempelwaarde)
De rechtbank Amsterdam oordeelt dat een franchisenemer van Blokker niet verplicht is tot vernieuwing van de winkel volgens de nieuwste formule-uitgangspunten, zoals door Blokker opgedragen is.
Interview mr. J. Sterk en mr. C. Rutten in Franchise+: “Oproep aan automotive sector: bereid je goed voor op nieuwe Wet franchise” d.d. 2 oktober 2020
De nieuwe Wet Franchise heeft een brede uitwerking, ook in de automotive sector. Maar of men zich er daar voldoende van bewust is?
Artikel De Nationale Franchise Gids – “Coronakorting van 50% op de huur” – mr. A.W. Dolphijn – d.d. 15 september 2020
Tegenvallende omzetten in verband met de coronacrisis kunnen betekenen dat de huurprijs gehalveerd wordt, ook als er sprake is van een deels omzetgerelateerde huur.
Artikel Franchise+ – “Franchisegever hanteert “afgeleide formule” (zonder dat hij het weet)” – mr. A.W. Dolphijn – d.d. 9 september 2020
Tal van franchisegevers zullen zich niet bewust zijn van het gegeven dat zij een “afgeleide formule” gebruiken zoals bedoeld in de Wet franchise.
Artikel Franchise+ – “Verplichtingen en rechten van de startende franchisenemer” – mr. A.W. Dolphijn – d.d.
Waar dient u als startende franchisenemer op te letten, wat zijn uw verplichtingen en wat zijn uw rechten bij het sluiten van de franchiseovereenkomst?
Artikel mr. C. Damen – Drie voorwaarden bij het recht op klantenvergoeding voor de agent bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst – d.d. 26 augustus 2020
Bij de agentuurrelatie tussen een agent en een opdrachtgever (de principaal) leggen partijen hun samenwerkingsafspraken vast in een agentuurovereenkomst. Wanneer de principaal de agentuurovereenkomst





