Geen schending standstill-verplichting
De rechtbank Noord-Nederland heeft in een vonnis van 21 februari 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:548, geoordeeld dat – ondanks dat de wettelijke standstill-periode van minstens 4 weken niet in acht genomen was – de franchisenemer geen redelijk belang had met een beroep op de wettelijke regeling.
Partijen hadden volgens de franchisegever al maandenlang contact over het openen van een franchise-vestiging door de aspirant franchisenemer. De beoogd franchisenemer kon, aldus de franchisegever, niet wachten tot hij tot ondertekening van de franchiseovereenkomst kon overgaan, beschikte al geruime tijd over allerlei informatie, had ruim de gelegenheid om vragen te stellen (heeft dat ook gedaan) en was op de hoogte van (zijn rechten wat betreft) de wettelijke standstill-periode.
De aspirant franchisenemer voert daartegen naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf terecht aan dat de regeling van de standstill-periode in de wet is opgenomen om hem als aspirant-franchisenemer te beschermen. De aspirant franchisenemer voert niet aan dat hij anders zou hebben gehandeld c.q. besloten indien de franchisegever de wettelijke bedenktijd in acht zou hebben genomen. De aspirant franchisenemer stelt zich bijvoorbeeld niet op het standpunt dat hij – indien het ontwerp van de franchiseovereenkomst vier weken voor het sluiten van de franchiseovereenkomst aan hem zou zijn verstrekt – nadere vragen aan de franchisegever zou hebben gesteld, advies zou hebben ingewonnen en/of overleg met de franchisegever zou hebben gevoerd en uiteindelijk (om wat voor reden dan ook) niet tot ondertekening van de franchiseovereenkomst zou zijn overgegaan of de franchiseovereenkomst onder andere voorwaarden zou hebben gesloten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aspirant franchisenemer ook nadat 4 weken waren gepasseerd na het ondertekenen van de akte geen kanttekeningen bij de inhoud daarvan heeft geplaatst en uitvoering is blijven geven aan de overeenkomst.
Vanwege het voorgaande is de rechtbank met de franchisegever van oordeel dat ervan uit dient te worden gegaan dat de aspirant franchisenemer niet in enig te respecteren belang is geschaad door het voortijdig tekenen van de akte. Het beroep van de aspirant franchisenemer op vernietiging van de overeenkomst vanwege het niet in acht nemen van de wettelijke bedenktijd (als bedoeld in artikel 7:913 lid 2 onder a BW en artikel 7:914 BW) is daarom naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Wat is specifieke franchise-mediation en wanneer is mediation een optie?
Het komt voor in de beste huwelijken en ook in franchiserelaties: er ontstaat een verschil van mening.
Deal or no deal? De problematiek van de afgebroken onderhandelingen
Voordat een franchiseovereenkomst daadwerkelijk getekend wordt door een franchisegever en een franchisenemer
Recente uitspraak inzake fictieve dienstbetrekking
De vraag of sprake is van een franchiseovereenkomst of een verkapte arbeidsovereenkomst blijft de gemoederen
Ontbinding wegens afwijking adviesprijzen: mededingingsrechtelijk ontoelaatbaar
Onlangs is een belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot sturing van marge en dito prijspolitiek.
Bedrijfsbeleid en franchisenemersbelang
Elke organisatie van enige importantie stelt voor zichzelf beleidsdoelen vast.
Einde franchiseovereenkomst . en dan?
Inmiddels is het goed gebruik dat partijen bij het aangaan van de franchiseovereenkomst uitvoerig stil staan bij de consequenties daarvan.