Geen standstill-periode bij voorafgaande samenwerking op basis van dezelfde formule
De rechtbank Den Haag heeft op 29 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20931, in kort geding een beslissing genomen in een geschil waarin de standstill-periode voorafgaand aan de franchiseovereenkomst (artikel 7:914 BW) centraal stond.
De franchisenemer heeft betoogd dat hij niet aan het post contractuele non-concurrentiebeding uit de franchiseovereenkomst kan worden gehouden, omdat hij de franchiseovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd dan wel ontbonden. De franchisenemer stelt dat de standstill-periode niet in acht zou zijn genomen. Tijdens een termijn van minstens 4 weken voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst mag de franchisegever onder andere geen wijziging in de franchiseovereenkomst meer doorvoeren (tenzij deze in het voordeel is van de franchisenemer).
De franchisenemer erkent dat hij de in augustus 2022 gesloten franchiseovereenkomst al in juni 2022 had ontvangen, maar hij stelt dat er daarna nog allerlei wijzigingen zijn doorgevoerd. De franchisegever heeft dat stellig betwist. Het lag in dit geding op de weg van de franchisenemer om zijn stelling nader te onderbouwen volgens de voorzieningenrechter. Dat heeft de franchisenemer echter nagelaten, zodat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van die stelling, aldus de voorzieningenrechter.
Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat partijen al geruime tijd voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst (vanaf november 2021) met elkaar samenwerkten op basis van dezelfde formule. De franchisenemer heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de definitieve franchiseovereenkomst op wezenlijke punten afweek. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat, voor zover er al sprake is geweest van wijzigingen, het daarbij niet om verstrekkende wijzigingen ging. Gelet daarop acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat de franchisenemer geen weloverwogen besluit heeft kunnen nemen. Dat is wel het doel van deze standstill-periode, die er immers toe strekt dat de beoogd franchisenemer zich kan beraden over wat hem wordt aangeboden.
In deze uitspraak lijkt de voorzieningenrechter de regeling van de standstill-periode ruimt toe te passen. In artikel 7:913 lid 3 sub a BW is echter uitdrukkelijk bepaald dat de regeling van de standstill-periode niet geldt bij “het sluiten van een volgende franchiseovereenkomst tussen dezelfde partijen inzake dezelfde franchiseformule”. Van een dergelijke voorafgaande samenwerking was klaarblijkelijk naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Structureel ondeugdelijke omzetprognoses van de franchisegever
De rechtbank Limburg heeft op 15 maart 2017 in acht vergelijkbare vonnissen (waaronder ECLI:NL:RBLIM:2017:2344) de franchiseovereenkomsten van diverse franchisenemers van de P3-franchiseformule
Franchisenemer verplicht meewerken aan formulewijziging?
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft zich op 24 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1860, wederom gebogen over de kwestie waarbij Intertoys de winkels van Bart Smit wenst om te bouwen
Leveringsstop van franchisegever niet toegestaan
Op 9 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2017:1372, geoordeeld dat een franchisegever haar verplichting tot belevering van de franchisenemer niet
Alex Dolphijn in het Financiële Dagblad over het arrest van de Hoge Raad inzake Street-One
Franchisegevers eerder aansprakelijk bij foute prognoses Franchisenemers kunnen hun moederorganisatie voortaan makkelijker aansprakelijk stellen voor ondeugdelijke winst en omzetprognoses.
Supermarktbrief – 17
Hoge Raad: Sneller aansprakelijk bij prognoses
Artikel in Entree: “Kleine lettertjes”
“Als ik zaken doe met een leverancier, lees ik nooit de kleine lettertjes. Laatst viel mij op dat er allerlei dingen in staan waar ik het eigenlijk niet mee eens ben.





