Non-concurrentiebeding: ook privé gebonden na overstap naar een B.V.

De rechtbank Overijssel deed uitspraak in een post concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst (ECLI:NL:RBOVE:2023:1506). Centraal stond de vraag of de franchisenemer onder een postcontractueel non-concurrentiebeding uit kon komen door zijn onderneming om te zetten in een B.V.

Wat speelde er?

De franchisegever exploiteerde een formule van winkels voor fitnessartikelen en sportvoeding. In 2016 sloot een franchisenemer een franchiseovereenkomst, waarin stond dat hij – ook na afloop van de samenwerking – een jaar lang geen concurrerende activiteiten mocht verrichten binnen een straal van 40 km.

In 2020 zette de franchisenemer zijn eenmanszaak om in een B.V. Kort daarna beëindigde hij de samenwerking en ging hij werken voor een nieuwe onderneming die door zijn partner was opgericht – in dezelfde branche. Zijn verweer: het non-concurrentiebeding gold alleen voor de B.V., niet meer voor mij persoonlijk.

Het oordeel van de rechtbank

De rechter maakte korte metten met dat standpunt. Volgens de rechtbank gaat het er niet alleen om wat er letterlijk in de overeenkomst staat, maar ook wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Omdat bij het sluiten van de overeenkomst uitvoerig was onderhandeld over het non-concurrentiebeding, en de franchisenemer destijds begreep dat het ook voor hem persoonlijk zou gelden, bleef hij daaraan gebonden.

Dat in de tekst van het contract het woord “bestuurder/aandeelhouder” niet nogmaals stond in het deel over het postcontractuele beding, vond de rechtbank hooguit een verschrijving – geen bewuste beperking. De franchisenemer had dus tóch het beding overtreden door binnen een jaar na beëindiging actief te worden bij een concurrent.

De rechtbank besteedde geen expliciete aandacht aan de geldigheid van de geografische reikwijdte. Artikel 7:920 lid 2 sub e BW schrijft voor dat een postcontractueel concurrentiebeding niet ruimer mag zijn dan het gebied waarbinnen de formule daadwerkelijk is geëxploiteerd. De bepaling in deze zaak — een straal van 40 km of zelfs de omgeving van andere franchisenemers — lijkt mogelijk ruimer dan wettelijk toegestaan, waardoor nietigheid op grond van artikel 7:922 BW in beeld komt.

Conclusie

Het blijft dus oppassen met postcontractuele non-concurrentiebedingen. Franchisegevers doen er goed aan hun contracten scherp te formuleren en te laten toetsen aan de Wet franchise. Franchisenemers moeten beseffen dat ook zij persoonlijk risico lopen als zij een dergelijk beding tekenen – óók als ze later hun onderneming in een andere rechtsvorm voortzetten.

mr. A.W. Dolphijn
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten

Artikel mr. C. Damen – Drie voorwaarden bij het recht op klantenvergoeding voor de agent bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst – d.d. 26 augustus 2020

Bij de agentuurrelatie tussen een agent en een opdrachtgever (de principaal) leggen partijen hun samenwerkingsafspraken vast in een agentuurovereenkomst. Wanneer de principaal de agentuurovereenkomst

Door mr. C. Damen|26-08-2020|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|

Artikel mr. C. Damen – “Wanneer geldt de exhibitieplicht voor het overleggen de franchiseovereenkomst?” d.d. 17 augustus 2020

Geldt de exhibitieplicht voor het tonen van een (franchise)overeenkomst in een procedure, wanneer de procespartijen niet in rechtsbetrekking staan tot de (franchise)overeenkomst?

Door mr. C. Damen|17-08-2020|Categorieën: Uitspraken & actualiteiten|

Artikel De Nationale Franchise Gids: “Informatieverplichtingen van de beoogd franchisenemer onder de Wet franchise” – d.d. 7 augustus 2020 – mr. A.W. Dolphijn

Alhoewel de Wet franchise tot doel heeft franchisenemers te beschermen tegen franchisegevers, zijn er ook een aantal verplichtingen voor franchisenemers bepaald.

Ga naar de bovenkant