Afstand doen van instemmingsrecht bij formulewijziging binnen een franchiseovereenkomst?

Op 19 februari 2025 deed de rechtbank Den Haag uitspraak, ECLI:NL:RBDHA:2025:2507, over de vraag of franchisenemers hun wettelijke instemmingsrecht (artikel 7:921 BW) konden opgeven via een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:902 BW) in het kader van een formulewijziging binnen hun franchiseovereenkomst.

Achtergrond: franchiseovereenkomst en wijziging in vergoedingen

De franchisegever exploiteert sinds 2008 de HappyNurse-franchiseformule, gericht op gespecialiseerde uitzendbureaus en werving- en selectiewerkzaamheden voor uitzendkrachten. Door de groei van zzp’ers in de zorg begonnen franchisenemers zich ook te richten op de bemiddeling van zelfstandigen. Dit had financiële gevolgen voor de franchisegever, omdat franchisenemers op basis van de franchiseovereenkomst alleen een inkoopprijs moesten betalen voor uitzendkrachten, niet voor zzp’ers.

Om de dalende inkomsten te compenseren, stelde de franchisegever tijdens Franchiseraad-vergaderingen op 8 en 14 maart 2023 een inkoopvergoeding van € 3,- per zzp’er voor. Later trok de franchisegever dit voorstel in en kondigde hij aan in plaats daarvan hogere administratie- en bemiddelingskosten bij opdrachtgevers én servicekosten bij zzp’ers in rekening te brengen. Deze wijziging in de franchiseovereenkomst werd gezien als een formulewijziging.

Discussie over instemming en rechtsgeldigheid van de wijziging

Op 5 juli 2023 ondertekenden de franchisegever en franchisenemers een vaststellingsovereenkomst. Later stelden de franchisenemers dat deze vaststellingsovereenkomst in strijd was met dwingend recht, waaronder de verplichtingen van goed franchisegeverschap (artikel 7:912 BW) en het instemmingsvereiste (artikel 7:921 BW). Zij voerden aan dat volgens het reglement van de Franchiseraad instemming vereist was voor de invoering van de zzp-vergoeding en dat deze instemming onder druk was verkregen. Volgens hen betekent vernietiging van de vaststellingsovereenkomst dat de onterecht geïnde zzp-vergoeding moet worden terugbetaald.

Uitspraak van de rechtbank: instemmingsrecht en vaststellingsovereenkomst

De rechtbank oordeelde dat een vaststellingsovereenkomst partijen bindt aan een juridische vaststelling, zelfs als deze afwijkt van de eerdere rechtsverhouding. Dit betekent dat, zelfs als instemming volgens artikel 7:921 BW vereist was – wat de franchisegever betwistte – afwijking van deze dwingendrechtelijke bepaling binnen een vaststellingsovereenkomst mogelijk is (artikel 7:902 BW). Dit vormde volgens de rechtbank dan ook geen grond voor vernietiging van de overeenkomst.

Zie voor meer informatie over het instemmingsrecht: https://www.ludwigvandam.nl/?s=instemmingsrecht&lang=nl

mr. A.W. Dolphijn
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar dolphijn@ludwigvandam.nl
instemmingsrecht

Andere berichten

Overschot in marketingfonds: kan de franchisenemer schadevergoeding eisen?

De Rechtbank Noord-Holland heeft op 23 september 2026 (ECLI:NL: RBNHO:2026:13072) ...

Geen verantwoording over marketingbijdrage: mag de franchisenemer betaling opschorten?

De Rechtbank Amsterdam heeft op 24 augustus 2026 een interessante ...

Cyberbeveiligingswet en franchise: wanneer wordt de franchisegever ICT-dienstverlener?

Sinds 15 augustus 2026 is de Cyberbeveiligingswet van kracht. De ...

Tussentijdse beëindiging franchise: niet alle resterende franchisefees zijn automatisch schade

Wat is de schade van een franchisegever wanneer een franchisenemer ...

Ga naar de bovenkant