Bezint eer ge begint: de onderzoeksplicht voor een beoogd franchisenemer
Inleiding
De plicht voor partijen in het (algemene) contractenrecht om elkaar in de precontractuele fase – de fase voordat de overeenkomst wordt getekend – is op verschillende plaatsen in het burgerlijk wetboek geregeld. In het algemeen kan je zeggen dat de “verkopende” partij de plicht heeft de “kopende” partij voldoende te informeren om een weloverwogen beslissing te nemen over de “aankoop”. Aan de ander kant geldt er voor de kopende partij de verplichting om onderzoek te doen naar de aankoop. De informatie- en de onderzoeksplicht zijn communicerende vaten. Meer concreet geldt in beginsel dat hoe meer de franchisenemer vraagt des temeer de franchisegever gehouden is de verzochte informatie te verstrekken.
Voor de (precontractuele) verhouding tussen franchisenemer en franchisegever is de verplichting specifiek uitgewerkt in de Wet franchise. In dit artikel zal ik ingaan op de onderzoeksplicht voor franchisenemer.
Wat houdt de onderzoeksplicht voor de franchisenemer in?
Voor een (beoogd) franchisenemer betekent de onderzoeksplicht dat hij verantwoordelijk is voor het vergaren van relevante informatie over de franchiseorganisatie. Dit betreft niet alleen onderzoek naar financiële gegevens en bedrijfsresultaten, maar ook informatie over de reputatie van de franchisegever, het juridische kader en de operationele ondersteuning die wordt geboden. Door dit onderzoek kan de potentiële franchisenemer beter inschatten of het concept levensvatbaar is, of de samenwerking op de lange termijn succesvol kan zijn, zodat de franchisenemer niet voor verrassingen komt te staan na het tekenen van de overeenkomst.
Praktisch gezien betekent dit dat de franchisenemer:
- juridische documenten en jaarrekeningen grondig moet bestuderen om inzicht te krijgen in de financiële gezondheid en bedrijfsvoering van de franchisegever;
- gesprekken moet voeren met huidige franchisenemers om een realistisch beeld te krijgen van de dagelijkse praktijk en de ondersteuning die geboden wordt;
- externe deskundigen, zoals juristen en financiële adviseurs, moet raadplegen om de verstrekte informatie te toetsen en risico’s in kaart te brengen.
Standstill-periode
Om de franchisenemer de gelegenheid te geven dit onderzoek uit te laten voeren is in artikel 7:915 BW de zogenaamde standstill-periode met een termijn van vier weken opgenomen. Gedurende deze periode mogen er – kort gezegd – geen voor de franchisenemer nadelige wijzigingen in de contractstukken worden doorgevoerd of de franchisenemer worden aangezet tot het doen van investeringen.
Gevolgen schending onderzoeksplicht
Het is zaak voor de franchisenemer om tijdens die periode ook daadwerkelijk onderzoek te verrichten en bij onduidelijkheid over de verstrekte informatie hierover vragen te stellen aan de franchisegever. In de praktijk is het voor de franchisenemer met name van belang om bij de franchisegever door te vragen over de door hem gehanteerde methode voor berekening en de zekerheid van de geprognosticeerde omzet en hierover – in het meest verstrekkende geval – garanties af te dwingen.
Laat de franchisenemer dat na dan kan dat ertoe leiden dat hem dat wordt aangerekend indien hij de franchisegever aanspreekt op (bijvoorbeeld) lagere dan door de franchisegever geprognosticeerde omzet. Meer juridisch gezegd kan de rechter (bijvoorbeeld) oordelen dat de franchisenemer geen of slecht een gedeeltelijk schadevergoeding krijg toegewezen, omdat hij zelf beter onderzoek had moeten doen.
Conclusie
Voor de (beoogd) franchisenemer is het van groot belang om gedegen onderzoek te verrichten voordat hij een franchiseovereenkomst aangaat en hierover vragen te stellen aan de franchisegever. Voor de franchisegever is het zaak om franchisenemer zo transparant als mogelijk te informeren.
Dit zorgt niet alleen voor een beter inzicht van partijen in de financiële en juridische aspecten van de samenwerking maar voorkomt ook dat zij voor zowel commercieel als juridisch onaangename verrassingen komt te staan.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar opdehoek@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Bewijslastomkering bij prognose als misleidende reclame?
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in een kort gedingvonnis van 15 juni 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:3833, geoordeeld over een vordering tot (onder meer) schorsing van het non-concurrentiebeding.
Boete voor franchisegever omdat aspirant-franchisenemer vreemdeling is
De Raad van State heeft op 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1815, beslist over de vraag of bij de (voorgenomen) samenwerking tussen een franchisegever en een aspirant-franchisenemer, de franchisegever
Artikel in Entree: “Bedrijfsnaam”
“Ik heb een prachtige naam bedacht voor mijn horecaonderneming en heb hier de nodige kosten voor gemaakt. Nu is er een andere ondernemer die vrijwel dezelfde gaat gebruiken. Mag dat wel?”
Zorgplicht bank bij franchiseovereenkomsten
Het gerechtshof Den Haag heeft op 23 mei 2017, EQLI:NL:GHDHA:2017:1368, zich moeten uitlaten over de vraag of de bank een aspirant-franchisenemer had moeten waarschuwen, in verband met het
Artikel in Entree: “Op staande voet”
“Kan ik een werknemer op staande voet ontslaan als hij iets onbenulligs steelt, bijvoorbeeld etenswaren die over de houdbaarheidsdatum heen zijn?”
Arbitragebeding in franchiseovereenkomst soms onhandig
De rechtbank Gelderland heeft op 20 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4868 een uitspraak gedaan over de geldigheid van een afspraak in een franchiseovereenkomst, waarbij geschillen beslecht zouden worden




