Beschermt een postcontractueel concurrentiebeding niet tegen concurrentie?

Een postcontractueel concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst mag niet uitsluitend dienen om te voorkomen dat een voormalige franchisenemer na het einde van de samenwerking gaat concurreren. Het beding moet zijn rechtvaardiging vinden in de bescherming van de knowhow die de franchisegever daadwerkelijk aan de franchisenemer heeft overgedragen. Dat onderscheid komt duidelijk naar voren in een kortgedingvonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:7464).

Na het einde van de franchiseovereenkomst werd vanuit de voormalige vestiging een concurrerende onderneming geëxploiteerd. De franchisegever beriep zich op het postcontractuele concurrentiebeding en vorderde staking van die exploitatie en betaling van een voorschot op volgens haar verbeurde boetes. De voorzieningenrechter wees die vorderingen af.

De wettelijke toets

De uitspraak is met name interessant vanwege de toepassing van artikel 7:920 lid 2 onder c BW. Op grond van die bepaling is een postcontractueel concurrentiebeding alleen geldig indien het onmisbaar is om de door de franchisegever aan de franchisenemer overgedragen knowhow te beschermen.

Dat vergt meer dan de constatering dat binnen de franchiseformule kennis, systemen en werkwijzen bestaan. De franchisegever zal concreet moeten maken welke knowhow aan de franchisenemer is overgedragen en waarom juist een verbod om na het einde van de franchiseovereenkomst te concurreren nodig is om die knowhow te beschermen.

De voorzieningenrechter overweegt in dat verband dat een beperking van de voormalige franchisenemer alleen gerechtvaardigd kan zijn indien de overgedragen knowhow hem anders een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel zou verschaffen. Niet beslissend is dus uitsluitend óf de voormalige franchisenemer concurreert, maar waarom die concurrentie vanwege de eerder overgedragen knowhow moet worden beperkt.

Concrete onderbouwing vereist

De franchisegever verwees onder meer naar het franchisehandboek, maar had dat niet in de procedure gebracht. Daardoor bleef onvoldoende concreet welke kennis daarin was vastgelegd, welke daarvan aan de franchisenemer was overgedragen en waarom bescherming daarvan een postcontractueel concurrentieverbod noodzakelijk maakte.

Een belang bij het behoud van klanten of een vestigingspunt, of bij het voorkomen dat een voormalige franchisenemer met een andere formule verdergaat, kan op zichzelf begrijpelijk zijn. Daarmee is echter nog niet gezegd dat een postcontractueel concurrentiebeding onmisbaar is ter bescherming van overgedragen knowhow.

Geen algemeen middel tegen concurrentie

Het postcontractuele concurrentiebeding is daarmee geen algemeen instrument om concurrentie door een voormalige franchisenemer te voorkomen. De beperking moet haar rechtvaardiging vinden in de concrete knowhow die aan die franchisenemer is overgedragen en in de noodzaak die knowhow door middel van het beding te beschermen.

mr. A.W. Dolphijn
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten

Column Franchise + – mr. Th.R. Ludwig: “Op weg naar risicoaansprakelijkheid”

Onlangs heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een prognosekwestie.

Geen geldig beroep op non-concurrentiebeding bij franchising

De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft op 28 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1469, beslist over de vraag of een franchisenemer gehouden kon worden aan een non-concurrentiebeding.

Structureel ondeugdelijke omzetprognoses van de franchisegever

De rechtbank Limburg heeft op 15 maart 2017 in acht vergelijkbare vonnissen (waaronder ECLI:NL:RBLIM:2017:2344) de franchiseovereenkomsten van diverse franchisenemers van de P3-franchiseformule

Franchisenemer verplicht meewerken aan formulewijziging?

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft zich op 24 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1860, wederom gebogen over de kwestie waarbij Intertoys de winkels van Bart Smit wenst om te bouwen

Leveringsstop van franchisegever niet toegestaan

Op 9 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2017:1372, geoordeeld dat een franchisegever haar verplichting tot belevering van de franchisenemer niet

Alex Dolphijn in het Financiële Dagblad over het arrest van de Hoge Raad inzake Street-One

Franchisegevers eerder aansprakelijk bij foute prognoses Franchisenemers kunnen hun moederorganisatie voortaan makkelijker aansprakelijk stellen voor ondeugdelijke winst en omzetprognoses.

Ga naar de bovenkant