Franchisegever veroordeeld onder de Wet Acquisitiefraude
Voor de eerste keer heeft een rechter onder verwijzing naar de Wet Acquisitiefraude geoordeeld dat, als een franchisenemer stelt dat de franchisegever een ondeugdelijke prognose voorgehouden heeft, de franchisegever moet bewijzen dat de prognose deugdelijk is. Ons kantoor heeft de belangen van de franchisenemer in deze bij de rechtbank behartigd. De rechtbank oordeelde dat aan de franchisenemer een beroep toekomt op omkering van de bewijslast ingevolge de Wet Acquisitiefraude (artikel 6:195 lid 1 BW). Deze bewijslastomkering geldt ook voor situaties van vóór de invoering van de Wet Acquisitiefraude per 1 juli 2016, aldus de rechtbank.
Het probleem bij prognoses die niet uitkomen is dat franchisenemers vaak lastig kunnen bepalen waarom de gewekte verwachtingen niet gerealiseerd worden. Als een franchisenemer een vermoeden heeft dat er een fout gemaakt is door de franchisegever, dan zal dit door de franchisenemer lastig te bewijzen zijn. Op medewerking van de franchisegever zal niet altijd gerekend kunnen worden en deze zal mogelijk weigeren om bedrijfsgeheimen prijs te geven. Voor deze en andere kwesties is per 1 juli 2016 de Wet Acquisitiefraude in werking getreden. Als er voldoende gemotiveerd aangevoerd wordt dat er sprake is van misleiding, dan kan de bewijslast omgedraaid worden. Slaagt men niet in het bewijs, dan zal het onrechtmatige handelen vast kunnen staan.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs voor het eerst de Wet Acquisitiefraude toegepast bij een prognosekwestie. De franchisenemer had de franchisegever verweten onrechtmatig gehandeld te hebben door een ondeugdelijke prognose te verstrekken. De franchisegever is daarop veroordeeld om te bewijzen dat de prognose wel deugdelijk opgesteld was.
Alhoewel de Wet Acquisitiefraude per 1 juli 2016 in werking getreden is, heeft de rechtbank in het vonnis geoordeeld dat de bewijslastomkering ook geldt bij prognoses die afgegeven zijn vóór 1 juli 2016. De rechtbank overwoog dat de wetgever bij de inwerkingtreding geen onderscheid heeft gemaakt in de toepasselijkheid van de bepalingen op overeenkomsten die gesloten zijn voor, of na, de inwerkingtreding van de wet. Dit zou volgens de rechtbank, vrij vertaald, bovendien passen binnen de reeds in Nederland geldende rechtsopvattingen over de zorgplicht van de franchisegever.
Mr. A.W. Dolphijn – Franchiseadvocaat
Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies. Wilt u reageren? Ga naar dolphijn@ludwigvandam.nl.

Andere berichten
Supermarktbrief – 18
Kan een ondernemer verplicht worden een andere supermarktformule te gaan exploiteren?
Artikel in Entree: “Nieuwe eigenaar”
“De horecaonderneming waar ik werk is overgenomen. De nieuwe eigenaar zegt nu dat ik niet meer voor hem hoef te werken, maar kan hij mij als werknemer weigeren?”
Bestuurdersaansprakelijkheid bij afwikkeling franchiseovereenkomst
Kan in privé de bestuurder van een franchisenemer-rechtspersoon aansprakelijk zijn jegens de franchisegever, indien de franchisenemer-rechtspersoon ten onrechte zaken niet aan de franchisegever
Artikel in Entree: “Huurprijzen”
“De verhuurder verhoogde jaarlijks de prijzen van het pand, maar sinds 2 jaar doet hij dit niet meer, misschien vergeet hij het wel. Mag hij een achterstallig bedrag later alsnog opeisen?”
Column Franchise + – mr. Th.R. Ludwig: “Op weg naar risicoaansprakelijkheid”
Onlangs heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een prognosekwestie.
Geen geldig beroep op non-concurrentiebeding bij franchising
De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft op 28 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1469, beslist over de vraag of een franchisenemer gehouden kon worden aan een non-concurrentiebeding.





