Geen onbeperkt inzagerecht voor franchisenemer
De rechtbank Rotterdam heeft op 17 september 2025 uitspraak gedaan in een incident tussen een franchisenemer en haar franchisegever (ECLI:NL:RBROT:2025:11065). De franchisenemer stelde dat de franchiseovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand was gekomen, omdat de franchisegever zijn precontractuele informatieplicht (art. 7:913 BW) en de standstill-verplichting (art. 7:914 BW) zou hebben geschonden.
De franchisenemer vorderde daarom inzage in onder meer vestigingsplaatsonderzoeken of -analyses (VPA’s) van andere franchisenemers, en correspondentie met adviseurs en verhuurders.
Op grond van art. 194 en 195 Rv kan de rechter een partij verplichten stukken te overleggen, maar alleen als de verzoeker een voldoende belang heeft, de gevraagde gegevens relevant zijn voor de rechtsbetrekking en voldoende concreet zijn omschreven. Ook moet aannemelijk zijn dat de wederpartij de gegevens daadwerkelijk bezit, terwijl inzage kan worden geweigerd bij een verschoningsrecht of gewichtige redenen (zoals bedrijfsgevoelige informatie).
De rechtbank oordeelde dat de franchisenemer haar vermoedens onvoldoende had onderbouwd en dat het verzoek neerkwam op een fishing expedition. Daarbij woog mee dat VPA’s locatie-specifiek zijn en onder geheimhouding vallen, en dat de gevraagde correspondentie ook niet onder de informatieplichten van de Wet franchise valt. De vorderingen werden afgewezen.
De Wet franchise versterkt weliswaar de positie van franchisenemers, maar wie inzage wil op grond van art. 194/195 Rv moet zijn verzoek heel concreet en aannemelijk maken.
De rechtbank Rotterdam heeft op 17 september 2025 uitspraak gedaan in een incident tussen een franchisenemer en haar franchisegever (ECLI:NL:RBROT:2025:11065). De franchisenemer stelde dat de franchiseovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand was gekomen, omdat de franchisegever zijn precontractuele informatieplicht (art. 7:913 BW) en de standstill-verplichting (art. 7:914 BW) zou hebben geschonden.
De franchisenemer vorderde daarom inzage in onder meer vestigingsplaatsonderzoeken of -analyses (VPA’s) van andere franchisenemers, en correspondentie met adviseurs en verhuurders.
Op grond van art. 194 en 195 Rv kan de rechter een partij verplichten stukken te overleggen, maar alleen als de verzoeker een voldoende belang heeft, de gevraagde gegevens relevant zijn voor de rechtsbetrekking en voldoende concreet zijn omschreven. Ook moet aannemelijk zijn dat de wederpartij de gegevens daadwerkelijk bezit, terwijl inzage kan worden geweigerd bij een verschoningsrecht of gewichtige redenen (zoals bedrijfsgevoelige informatie).
De rechtbank oordeelde dat de franchisenemer haar vermoedens onvoldoende had onderbouwd en dat het verzoek neerkwam op een fishing expedition. Daarbij woog mee dat VPA’s locatie-specifiek zijn en onder geheimhouding vallen, en dat de gevraagde correspondentie ook niet onder de informatieplichten van de Wet franchise valt. De vorderingen werden afgewezen.
De Wet franchise versterkt weliswaar de positie van franchisenemers, maar wie inzage wil op grond van art. 194/195 Rv moet zijn verzoek heel concreet en aannemelijk maken.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Geen bijzondere zorgplicht franchisegever
Geen bijzondere zorgplicht franchisegever
Tijdschrift Franchise & Recht, aflevering 2 (november 2015)
Ludwig & Van Dam Advocaten schreef een kroniek over de jurisprudentie franchiserecht over het eerste halfjaar van 2015.
Mag een franchisenemer verkoopkanalen onbenut laten?
Franchiseformules zijn inmiddels doorgaans prima toegerust met een online verkoopkanaal.
Verdeling over de handelsnaam van de franchisegever
De handelsnaam van een franchisegever is een van de belangrijkste elementen van de formule.
Juridische workshop Omzetprognoses bij Ludwig & Van Dam
Juridische workshop Omzetprognoses bij Ludwig & Van Dam
Van omni-channel naar single-channel toegestaan
Mag een leverancier van fietsen de dealerovereenkomst beëindigen als de dealer geen fysieke winkels meer exploiteert, maar zich beperkt tot een webshop?