Gerechtshof bevestigt: standstillperiode beschermt ook de overenthousiaste franchisenemer
Het gerechtshof Den Haag heeft op 21 juli 2026 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2024 bekrachtigd: een franchisenemer die vóór het einde van de wettelijke standstillperiode van vier weken aan de franchiseovereenkomst wordt gebonden, kan die overeenkomst vernietigen. Dat hij zelf haast had, enthousiast was of aanvankelijk voordeel zag in een snelle start, doet daaraan niet af. Alle negen grieven van de franchisegever falen.
De zaak
De franchisenemer, die in deze procedure werd bijgestaan door Ludwig & Van Dam, exploiteert sinds 2016 een sportschool in Zuid-Holland. Nadat de onderneming eerst door de coronamaatregelen wordt geraakt, ontstaat eind 2021 brand in een naastgelegen pand, waardoor de bestaande locatie tijdelijk onbruikbaar wordt. Tijdens de zoektocht naar vervangende bedrijfsruimte komt hij begin 2022 in contact met een franchiseorganisatie die een sportschoolformule exploiteert. Kort na het eerste contact ontvangt hij een intentieovereenkomst, de precontractuele informatie en de franchiseovereenkomst — en tekent hij deze, op verzoek van de franchisegever, vrijwel direct. Partijen sluiten daarnaast een allonge, die de franchisenemer gedurende één maand de mogelijkheid geeft om de samenwerking alsnog te beëindigen, en een geldleningsovereenkomst. De franchisenemer richt de tijdelijke locatie in volgens de huisstijl van de formule en betaalt een entreevergoeding, periodieke franchisevergoedingen en een vergoeding voor het gebruik van andere aangesloten vestigingen. Wanneer de samenwerking in 2023 eindigt, vernietigt hij de franchiseovereenkomst alsnog: deze was in strijd met de dwingendrechtelijke bepalingen van de Wet franchise tot stand gekomen.
Een harde termijn van dwingend recht
De artikelen 7:913 en 7:914 BW verplichten de franchisegever om de franchisenemer tijdig van de voorgeschreven precontractuele informatie te voorzien. Na verstrekking daarvan geldt een standstillperiode van vier weken, waarin de franchisegever de franchisenemer niet aan de overeenkomst mag binden en hem evenmin mag aanzetten tot betalingen of investeringen die daarmee samenhangen. De wetgever geeft de franchisenemer zo een vaste periode om de overeenkomst, de financiële gevolgen en de risico’s van de samenwerking te beoordelen. Van deze bescherming kan niet ten nadele van de franchisenemer worden afgeweken (art. 7:922 BW) — en dat is precies wat deze uitspraak bevestigt: de dwingendrechtelijke bepalingen van de Wet franchise laten geen ruimte voor een contractuele afwijking, ook niet met wederzijds goedvinden. In deze zaak raakte de franchisenemer feitelijk al vóór het einde van de wettelijke termijn gebonden; zowel rechtbank als hof oordelen dat de franchiseovereenkomst en de allonge daardoor in strijd met de wet tot stand zijn gekomen. Een achteraf geboden uitstapmogelijkheid van één maand verandert daaraan niets: die is juridisch niet gelijk aan een periode waarin de franchisenemer nog volledig vrij is om de overeenkomst niet aan te gaan. De volgorde is beslissend — eerst vier weken ongebonden kunnen nadenken, dan pas contracteren.
Geen belangenafweging, geen misbruik van recht
Het meest relevante onderdeel van het arrest betreft de ruimte die overblijft voor een beroep op redelijkheid en billijkheid. De franchisegever voerde aan dat de franchisenemer zelf belang had bij een snelle start en aanvankelijk enthousiast was, zodat hij geen werkelijk nadeel zou hebben ondervonden van de schending. Het hof verwerpt dat betoog: het nadeel ligt al besloten in de schending van de wettelijke termijn zelf, ongeacht of de franchisenemer in zijn concrete omstandigheden daadwerkelijk financieel nadeel heeft geleden. Voor een individuele belangenafweging tussen het voordeel van een snelle start en het verlies van de wettelijke bedenktijd is dan ook geen ruimte — de wetgever heeft die afweging zelf al gemaakt, juist met het oog op de franchisenemer die onder tijdsdruk staat of snel wil handelen. De standstillperiode beschermt hem dus mede tegen zijn eigen voortvarendheid. Ook het verweer dat de franchisenemer, door pas na beëindiging van de samenwerking een beroep op vernietiging te doen, misbruik van recht zou maken, haalt het niet. Bij een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid tegenover dwingend recht past terughoudendheid: alleen uitzonderlijke omstandigheden kunnen toepassing van zo’n regel onaanvaardbaar maken, en een enkel tijdsverloop — hier ruim een jaar, ruim binnen de wettelijke verjaringstermijn van drie jaar — samen met aanvankelijk enthousiasme is daarvoor onvoldoende.
Betekenis voor de praktijk
Het arrest bevestigt dat de standstillperiode een harde ondergrens is die partijen niet met een allonge, ontbindingsmogelijkheid of andere contractuele constructie kunnen omzeilen, en dat de dwingendrechtelijke bescherming van de franchisenemer weinig ruimte laat voor een individuele correctie via redelijkheid en billijkheid.
Voor franchisegevers betekent dit dat het precontractuele traject zorgvuldig en aantoonbaar moet worden ingericht: niet alleen tijdige informatieverstrekking, maar ook het voorkomen dat de aspirant-franchisenemer gedurende de standstillperiode feitelijk of juridisch wordt gebonden. Voor franchisenemers bevestigt de uitspraak dat enthousiasme, tijdsdruk of een aanvankelijk goed lopende samenwerking niet aan hun wettelijke bescherming afdoen, en dat zij binnen de verjaringstermijn van drie jaar de ruimte houden om alsnog een beroep op vernietiging te doen. Wie in strijd met de standstillperiode contracteert of in strijd handelt met andere bepalingen uit de Wet franchise, kan zich dus slechts in zeer uitzonderlijke gevallen op redelijkheid en billijkheid beroepen: de wettelijke bescherming is het uitgangspunt, een correctie daarop blijft de uitzondering.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar munnik@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Vacature: Advocaat – Medewerker met relevante ervaring
Heb jij een passie voor uitdagende en complexe juridische vraagstukken? ...
Onmiddellijke beëindiging franchiseovereenkomst te vergaand
In een vonnis van 30 januari 2026 (Rb. Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2026:853) ...
Vergoedingsplicht bij einde franchiseovereenkomst
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde op 27 januari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:178) dat ...
Geen instemmingsrecht bij nieuwe franchisevoorwaarden – ook niet bij ingrijpende fee-wijzigingen
In kort geding heeft de Rechtbank Den Haag (Rb. Den ...
Transparantie bij collectieve inkoop in supermarktfranchise
Het rommelt bij franchiseorganisatie Carrefour in Frankrijk. De recente spanningen ...
Gerechtelijke uitspraak over supermarktvestiging: toepassing van het Didam-arrest
In het arrest van de Hoge Raad van 26 november ...





