Nieuwe beleidsregels beoordeling (fictieve) dienstbetrekking franchising
Mr Th.R. Ludwig – Franchise advocaat
Onlangs is er van de zijde van de staatssecretaris van financiën nadere duidelijkheid geschapen omtrent de beoordelingscriteria inzake de zelfstandigheid van de franchisenemer. Indien deze zelfstandigheid in het geding is, kan er sprake zijn van zogehete fictieve dienstbetrekking. Hierbij is er tussen de franchisegever en de franchisenemer als het ware een verkapte werkgevers- werknemersrelatie ontstaan met alle gevolgen van dien. De franchisegever is, al dan niet met terugwerkende kracht, verplicht afdracht te doen aan de relevante uitvoeringsinstelling (UWV) en de Fiscus, als ware hij werkgever. Concreet betekent dit dat de franchisegever dus sociale premies en loonbelasting dient te voldoen.
Dit alles is natuurlijk niet de bedoeling van de franchiserelatie en dient dan ook bij de opzet en de ontwikkeling van een franchise-organisatie te worden vermeden. Voor de beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van de zelfstandigheid zijn er recent een aantal nadere beleidsregels uitgevaardigd.
Van eminent belang is dat de franchisenemer de verplichtingen uit de franchise-overeenkomst niet zonder meer zelfstandig hoeft te voldoen; hij kan zich dus laten vervangen dan wel de franchise-overeenkomst (gedeeltelijk) laten uitvoeren door divers personeel. Dit betekent natuurlijk niet dat de franchisenemer niet aan te spreken is door de franchisegever op de verplichtingen uit de franchise-overeenkomst. Het gaat er slechts om dat voor het reilen en zeilen van het bedrijf van de franchisenemer het aan de franchisenemer is of hij dit zelfstandig doet dan wel de werkzaamheden geheel of gedeeltelijk door anderen laat verrichten. Hoe ligt dit nu bij franchisenemers die helemaal geen personeel hebben? Het is niet gezegd dat er sprake is van een fictieve dienstbetrekking indien de franchisenemer geen personeel heeft. Immers, uit de aard der zaak is het onmogelijk personeel in te schakelen dan wel zich adequaat te laten vervangen. In dit kader is het van belang dat het regiokantoor van de uitvoeringsinstelling wordt geraadpleegd. Een zogeheten Verklaring arbeidsrelatie is in deze niet persé toereikend. Voor het al dan niet aanwezig zijn van een fictieve dienstbetrekking zijn overigens meer criteria van belang, zoals de mate waarin er sprake is van een gezagsverhouding dan wel gelijkwaardigheid van partijen, en de wijze waarop de honorering van de franchisenemer plaatsvindt. Idealiter ontvangt hij rechtstreeks zijn inkomsten van diverse klanten. Bij sommige franchiseconstructies ligt dit evenwel anders, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van inkomensverwerving door middel van het verkrijgen van provisie. Die wordt voldaan door de franchisegever aan de franchisenemer. Overigens is ook dan niet gezegd dat er sprake hoeft te zijn van een fictieve dienstbetrekking. Een en ander is afhankelijk van de overige feiten en beoordelingscriteria.
Resumerend is het van belang dat iedere franchise-organisatie in de opbouw en de ontwikkelingsfase zich vergewist van het daadwerkelijk zelfstandig ondernemersschap van de franchisenemers. Deze vaststelling kan worden gedaan door zowel de franchisegever als de franchisenemers zelf. In alle gevallen is het van groot belang dat dit tijdig en duidelijk plaatsvindt. Dit is de beste waarborg voor voorkoming van eventuele tijdelijke constateringen achteraf.
Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten
Franchisenemer mag assortiment vreemd inkopen na verplichte formulewijziging – 6 juni 2019 – mr. J.A.J. Devilee
De rechtbank Oost-Brabant heeft zich onlangs in kort geding gebogen over een belangwekkende kwestie waarin een franchisenemer geheel onvrijwillig een alternatieve formule opgedrongen heeft gekregen.
Hoe behoud ik mijn vestigingsplaats? – 6 juni 2019 – mr. K. Bastiaans
Voor franchisegevers en franchisenemers is, met name in de detailhandel, de vestigingsplaats van groot belang.
Supermarktbrief – 25
Supermarktnieuwsbrief nr. 25
De toetsingsmaatstaf voor franchiseprognoses – d.d. 29 mei 2019 – mr. A.W. Dolphijn
Het hof Den Bosch heeft op 19 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1037, de rechtspraak van de Hoge Raad over prognose bij franchising op een rij gezet.
Arbitrage binnen franchise: een te hoge drempel? – mr. M. Munnik
Bij het aangaan van een overeenkomst is het voor partijen mogelijk – in afwijking van de wet - om een bevoegde rechter aan te wijzen. Dit geldt ook voor de franchiseovereenkomst. Van deze mogelijkheid
Beroep franchisenemer op dwaling wegens ondeugdelijke prognoses en gebrek aan ondersteuning verworpen – d.d. 25 april 2019 – mr. K. Bastiaans
Het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde (ECLI:NL:GHSHE:2019:697) over de vraag of het enkele feit dat prognoses niet zijn uitgekomen, de conclusie rechtvaardigt dat de franchisenemer tekort is gedaan...



