Onmiddellijke beëindiging franchiseovereenkomst te vergaand

In een vonnis van 30 januari 2026 (Rb. Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2026:853) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat een franchisegever niet zonder meer kan overgaan tot buitengerechtelijke ontbinding van een franchiseovereenkomst en onmiddellijke ontruiming van de bedrijfsruimte. De franchisegever stelde dat de franchisenemer op meerdere punten tekort was geschoten en vorderde in kort geding staking van de exploitatie en ontruiming. Die vorderingen werden afgewezen.

De rechter achtte onvoldoende aannemelijk dat de gestelde tekortkomingen in een bodemprocedure zouden leiden tot een rechtsgeldige buitengerechtelijke ontbinding. Met name het verwijt van structurele onregelmatigheden in de administratie kon niet met de vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld. Weliswaar stond vast dat zich incidenteel onregelmatigheden hadden voorgedaan, maar de ernst en omvang daarvan bleven onduidelijk en de franchisenemer was daar eerder niet expliciet op aangesproken.

Van belang is dat de voorzieningenrechter benadrukt dat buitengerechtelijke ontbinding een ingrijpend middel is, dat slechts bij voldoende ernstige tekortkomingen gerechtvaardigd is. Dat het vertrouwen van de franchisegever was geschaad, werd onvoldoende geacht om onmiddellijke beëindiging te rechtvaardigen. In de belangenafweging woog zwaar dat de franchisenemer aanzienlijke investeringen had gedaan en de onderneming moest kunnen blijven exploiteren totdat een bodemrechter over het geschil heeft geoordeeld.

De uitspraak bevestigt dat franchisegevers bij conflictsituaties zorgvuldig en proportioneel moeten handelen. Ook bij spanningen en vermeende tekortkomingen is kort geding geen automatisme en vormt het geen alternatief voor een inhoudelijke beoordeling in een bodemprocedure.

mr. A.W. Dolphijn
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar dolphijn@ludwigvandam.nl
instemmingsrecht

Andere berichten

Boete voor franchisegever omdat aspirant-franchisenemer vreemdeling is

De Raad van State heeft op 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1815, beslist over de vraag of bij de (voorgenomen) samenwerking tussen een franchisegever en een aspirant-franchisenemer, de franchisegever

Artikel in Entree: “Bedrijfsnaam”

“Ik heb een prachtige naam bedacht voor mijn horecaonderneming en heb hier de nodige kosten voor gemaakt. Nu is er een andere ondernemer die vrijwel dezelfde gaat gebruiken. Mag dat wel?”

Arbitragebeding in franchiseovereenkomst soms onhandig

De rechtbank Gelderland heeft op 20 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4868 een uitspraak gedaan over de geldigheid van een afspraak in een franchiseovereenkomst, waarbij geschillen beslecht zouden worden

Ga naar de bovenkant