De rechtbank Amsterdam heeft op 23 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:412 (CoffeeCompany/Dam Spirit B.V.) een vonnis gewezen over de vraag of een franchisenemer bij een beëindiging van de samenwerking met de franchisegever, gehouden is zijn franchiseonderneming in te leveren bij de franchisegever. 

Voordat de horecaondernemer in kwestie de samenwerking met de franchisegever aanging, had de betreffende horecaondernemer al sinds geruime tijd de horecabedrijfsruimte gehuurd aan de Dam te Amsterdam. Vanaf de aanvang van de huur was er tevens reeds een horecavergunning aanwezig. 

Tussen partijen is nadien een samenwerkingsovereenkomst gesloten, genaamd licentieovereenkomst, waarbij de franchisenemer het recht verkreeg om volgens een bepaalde formule van de franchisegever de horecaonderneming te exploiteren. In die overeenkomst was opgenomen dat de franchisegever bij opzegging van de onderhavige overeenkomst gerechtigd was om de onderneming zelf voort te zetten op het vestigingspunt waar de franchisenemer werkzaam is geweest. Na het aflopen van de samenwerking vordert de franchisegever van de gewezen franchisenemer om haar de huurrechten van de bedrijfsruimte in kwestie aan te bieden, althans mee te werken aan de indeplaatsstelling van de franchisegever als huurder. 

De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van een situatie van opzegging, maar de samenwerking van rechtswege geëindigd is door tijdsverloop. Tevens acht de rechtbank het niet logisch dat de franchisenemer bereid was, bij het aflopen van de samenwerking, de huurrechten aan de franchisegever aan te bieden. De rechtbank wijst dan ook de vordering van de franchisegever, om de franchiseonderneming aan haar over te dragen, af. 

Uit deze uitspraak volgt dat, als partijen een vergaande afspraak zouden willen maken over het overdragen van de franchiseonderneming bij het einde van de samenwerking, zulks dan expliciet dient te worden neergelegd om misverstanden achteraf te voorkomen. 

Mr. A.W. Dolphijn – Franchiseadvocaat
Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies. Wilt u reageren? Ga naar dolphijn@ludwigvandam.nl.

instemmingsrecht

Andere berichten

Geen franchiseovereenkomst, ondanks de benaming

Niet alles is wat het lijkt. Zelfs als franchisegever en franchisenemer menen dat er sprake is van een franchiseovereenkomst, kan dat juridisch toch anders liggen.

Door Ludwig en van Dam|13-12-2018|Categorieën: Franchise overeenkomsten, Franchise-kenniscentrum/ Nationale Franchise- en Formulebrief-publicaties|Label: |

Vergoeding reputatieschade aan franchisegever

Een ontwikkelaar van een digitaal platform voor een franchisegever had een platform geleverd waartoe elke derde zich toegang kon verschaffen.

Verkoop franchise-onderneming vanwege concurrentiebeding: Schijnconstructie of niet?

Franchisenemers die niet door willen of kunnen met de franchise-onderneming ervaren het al dan niet geldige concurrentiebeding als blok aan het been

Verboden franchiseovereenkomsten: gedragingen van franchisenemers onderling

Vormen van franchising waarbij geen sprake is van een verticale verhouding tussen enerzijds de franchisegever en anderzijds de franchisenemers kunnen verboden zijn.

Een nieuwe franchisegever tegen wil en dank

Fusies tussen franchiseorganisaties zijn allang geen uitzondering meer. Multivlaai/Limburgia, DA/DIO, Emté/Jumbo zijn daar recente voorbeelden van.

Ga naar de bovenkant