Concurrentiebeding na franchiseovereenkomst: Wet franchise als norm bij managementovereenkomst

De rechtbank Den Haag heeft met haar uitspraak van 31 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:27728) een interessant signaal afgegeven voor de franchisepraktijk. In deze zaak had een voormalig franchisenemer zijn vestigingen verkocht aan de franchisegever en was hij aansluitend via een managementovereenkomst actief gebleven binnen de formule. In die managementovereenkomst was een postcontractueel concurrentiebeding opgenomen met een looptijd van drie jaar en een landelijke reikwijdte. Toen betrokkene vervolgens bij een directe concurrent in dienst trad, beriep de franchisegever zich op dit beding en de daarbij horende forse contractuele boete.

Omdat er sprake was van een overeenkomst van opdracht, is het arbeidsrechtelijke artikel 7:653 BW niet van toepassing, zo oordeelde de rechtbank. Dat betekent echter niet dat de franchisegever vrij spel heeft. De toets verschuift naar het algemene verbintenissenrecht, in het bijzonder artikel 6:248 lid 2 BW, dat ruimte biedt om contractuele bepalingen buiten toepassing te laten indien deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

Wat vervolgens opvalt, is dat de rechtbank de duur van het postcontractuele concurrentiebeding terugbrengt van 36 maanden naar 12 maanden. Hoewel artikel 7:920 lid 2 BW (Wet franchise) formeel niet van toepassing was, sluit deze correctie naadloos aan bij de maximale termijn die de Wet franchise stelt aan postcontractuele concurrentiebedingen. Daarmee lijkt de rechtbank impliciet aan te sluiten bij de systematiek van de wet. De achterliggende gedachte van die bepaling is dat de franchisegever zijn formule mag beschermen met een postcontractueel concurrentiebeding, maar wel concreet moet kunnen maken waarom een vergaande beperking noodzakelijk is. In deze zaak ontbrak die onderbouwing. Dat binnen de eigen organisatie kortere termijnen gebruikelijk waren en dat de franchisenemer slechts relatief kort in zijn laatste rol actief was geweest, speelde daarbij een belangrijke rol.

De bredere betekenis van deze uitspraak ligt in het feit dat artikel 7:920 lid 2 BW, hoewel niet rechtstreeks toegepast, duidelijk fungeert als normatief ijkpunt. De rechter kijkt daarbij niet alleen naar de juridische vorm, maar vooral naar de economische realiteit en de proportionaliteit van de beperking.

mr. A.W. Dolphijn
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten

Koop franchiseonderneming en de ontslagen zieke werknemer van 7 jaar geleden

De vraag is of een franchisenemer van Bruna, bij de verkoop van de franchiseonderneming aan Bruna, had moeten mededelen dat zeven jaar geleden een werknemer ziek uit dienst was getreden.

Rechtbank verbiedt Domino’s eenzijdige rayonverkleinging bij verlenging franchiseovereenkomsten – d.d. 28 januari 2019 – mr. R.C.W.L. Albers

Op 9 januari 2019 is door de rechtbank Rotterdam een vonnis gewezen in een door de Vereniging van Domino’s Pizza Franchisenemers en al haar leden (nagenoeg alle franchisenemers van Domino’s) gestarte

Door Remy Albers|28-01-2019|Categorieën: Franchise overeenkomsten, Geschillen beslechting, Uitspraken & actualiteiten|Label: , |

Retentierecht van de franchisenemer

Kan een aspirant-franchisenemer een retentierecht inroepen om een entree-fee terug te vorderen als na het sluiten van de voorovereenkomst er niet alsnog een franchiseovereenkomst tot stand komt?

Knowhow franchiseformule nu ook wettelijk beschermd

Knowhow is een van de meest essentiële onderdelen van een franchiseformule.

Franchisegevers mogen geen wijziging van winkeltijden meer opleggen

Eind 2018 is een concept van de “Wet keuzevrijheid openingstijden winkeliers” gepresenteerd.

Ga naar de bovenkant