De voorovereenkomst

In deze artikelenreeks is reeds eerder de Europese Erecode inzake Franchising aan de orde geweest. In artikel 3 van de Europese Erecode wordt vrij uitvoerig stilgestaan bij de verplichtingen die een franchisegever heeft ten aanzien van de informatie die hij verstrekt aan zogenaamde aspirant-franchisenemers, derhalve vóór contractsluiting. Te denken valt hierbij aan de wijze waarop een franchisegever publiceert (dit dient ondubbelzinnig en niet misleidend te geschieden) en informatie verstrekt, ook financiële informatie, over de franchise-organisatie. Onder het verstrekken van informatie wordt tevens verstaan het verstrekken van de franchise-overeenkomst, een handboek, een eventuele (onder)huurovereenkomst, alsmede het verstrekken van prognoses. In dat kader komt het nogal eens voor dat een franchisegever ertoe besluit een zogenaamde voorovereenkomst met de aspirant-franchisenemer te sluiten.

De voornaamste reden voor een franchisegever om hiertoe over te gaan is dikwijls gelegen in de geheimhoudingsverklaring die een belangrijk onderdeel uitmaakt van de voorovereenkomst. Immers, indien de gegevens worden verstrekt waar zojuist aan is gerefereerd, kan daarmee buitengewoon gevoelige informatie uit handen worden gegeven waarvan voorkomen dient te worden dat deze (bijvoorbeeld) bij eventuele concurrenten terechtkomt. Tevens wordt een dergelijke voorovereenkomst nogal eens gebruikt om een min of meer “verkapte proeftijd” voor de franchisenemer in te lassen. Mits dit op een heldere en doorzichtige wijze geschied, kan dit een mogelijkheid zijn zowel voor de franchisegever als voor de franchisenemer om te bezien of de franchisenemer binnen de organisatie past en tevens het zelfstandig ondernemerschap ten volle wordt benut. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke verkapte proeftijd eigenlijk slechts mogelijk en zinvol is binnen een franchise-organisatie waarin de franchisenemer niet wordt geacht op voorhand al allerlei vergaande investeringen te plegen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het franchisenemerschap. Het is met andere woorden in beginsel slechts zinvol voor franchise-organisaties die weinig aanvangsinvesteringen kennen of een systeem kennen waarbij die investeringen eerst worden gepleegd bij het aangaan van de franchise-overeenkomst zelve om, desgewenst, op een dergelijke wijze gebruik te maken van een voorovereenkomst. Tot slot zij opgemerkt dat een voorovereenkomst tevens de functie kan hebben om commitment te creëren bij de franchisenemer, nu onderdeel van een dergelijk voorovereenkomst dikwijls het betalen van een gedeelte van de entreefee is.

Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten

Franchisegever verplicht tot verlenging franchiseovereenkomst

De rechtbank Rotterdam heeft op 6 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6975 (Misty /Bram Ladage) geoordeeld dat de weigering tot verlenging van een franchiseovereenkomst door een franchisegever

De (on)geldigheid van een postcontractueel concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst: analogie met arbeidsrecht?

De rechtbank Gelderland heeft op 5 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4565 een vonnis gewezen over onder meer de vraag of Bruna als franchisegever een beroep kon doen op het verbod voor een

Column Franchise+ – mr. J Sterk: “Rechtbank veroordeelt fastfoodketen tot verlenging franchiseovereenkomst

De zaak speelt begin dit jaar. De franchisenemer weigert al jaren de bij verlenging aangeboden nieuwe franchiseovereenkomst te ondertekenen aangezien deze een verslechtering van zijn rechtspositie met

Door Jeroen Sterk|01-09-2017|Categorieën: Franchise overeenkomsten, Geschillen beslechting, Uitspraken & actualiteiten|Label: , |

Geen geldig non-concurrentiebeding voor franchisenemer

Op 18 november 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2016:7754, een vonnis gewezen in de kwestie waarbij aan de orde was of de franchisenemer gehouden

Franchise & Recht nr. 5 – Wet Acquisitiefraude en franchising

Per 1 juli 2016 is de Wet Acquisitiefraude ingevoerd. Hiermee zijn onder meer wijzigingen aangebracht in artikel 6:194 BW.

Door Ludwig en van Dam|10-08-2017|Categorieën: Franchise overeenkomsten, Geschillen beslechting, Prognose-problematiek, Uitspraken & actualiteiten|Label: , , |

Moet een franchisenemer een nieuw model-franchiseovereenkomst accepteren?

De rechtbank Rotterdam heeft op 31 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2457 in kort geding geoordeeld over de vraag of franchisegever Bram Ladage de franchiseovereenkomst met haar franchisenemer had

Ga naar de bovenkant