Herinvestering / restyling binnen een bestaand franchiseconcept.
In de praktijk zien we de laatste tijd meer en meer ontwikkelingen die wijzen op een ombouw/restyling van de franchise-organisatie, waartoe de franchisenemer dient te herinvesteren.
Van belang in een dergelijke situatie is de vraag of de bestaande franchise-overeenkomst de mogelijkheid biedt om een dergelijke ombouw/restyling van de gehele franchise-organisatie te realiseren?
Indien in de bestaande franchise-overeenkomst een bepaling is opgenomen waaruit, kort gezegd, volgt dat de franchisenemer op verzoek van de franchisegever verplicht kan worden medewerking te verlenen aan een “collectieve ombouw/restyling” van de organisatie, dan kan de franchisenemer hier (in principe) ook aan gehouden worden. Van belang hierbij is wie de kosten wordt geacht te dragen voor de ombouw/restyling.
Indien de franchisenemer wordt geacht hier een flinke duit in het zakje te doen dan is het van belang dat de franchisegever bij voorkeur zorgdraagt voor prognoses die zijn afgestemd op de nieuwe situatie, teneinde de gevolgen van de ombouw mee te kunnen wegen. Dit klemt te meer nu deze situatie vergeleken kan worden met de situatie van de zogenaamde pré-contractuele fase. Immers, ook in de situatie van een grote ombouw van de organisatie geldt dat de franchisegever de door de franchisenemers te plegen investeringen met de nodige zorgverplichtingen dient te omkleden.
Indien een herinvestering van beperkte aard is dan kan een prognose wellicht achterwege blijven alhoewel ook in een dergelijke situatie geldt dat een franchisegever zich dient af te vragen in hoeverre de herinvestering een negatief effect heeft op de organisatie van de franchisenemer. Indien het een aanzienlijke investering is dient de franchisegever, zoals hierboven reeds gesteld, zich de vraag te stellen of de investering ook daadwerkelijk tot omzetverbetering leidt dan wel een omzetverlies wordt voorkomen. Daarnaast dient de gevraagde investering verantwoordt te zijn in relatie tot het bedrijfsresultaat van de betrokken franchisenemers. Kortom een en ander dient met de nodige omzichtigheid en beleid plaats te vinden. In één van de volgende artikelen zal hier nog nader op in worden gegaan.
Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten
Eenzijdige collectieve fee-verhoging door franchisegever ongeoorloofd
In een belangwekkende uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2014, lag de vraag voor of een franchisegever een verhoging van een bijdrage mocht doorvoeren.
Belangen Vereniging Franchisenemers Nederland (BVFN) voert nader overleg met de Minister
Op 16 april 2014 heeft het al aangekondigde gesprek tussen de Belangen Vereniging Franchisenemers Nederland (BVFN), en het Ministerie van Economische Zaken plaatsgevonden.
Exoneratie zorgplicht bij prognose franchisegever
In een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 april 2014, kwam de interessante vraag aan de orde of een samenwerking als franchise gekwalificeerd diende te worden.
Concurrentiebeding sneuvelt in kort geding
Onlangs oordeelde de voorzieningenrechter te Rotterdam dat een franchisenemer niet gehouden was aan het in de franchiseovereenkomst opgenomen concurrentiebeding.
Voorschot op schadevergoeding na ondeugdelijke prognose
In een fraai gemotiveerd kort gedingvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2014 was aan de orde de vraag of een voorschot betaald diende te worden op de schadestaatprocedure.
Afhaalpunt vereist winkelbestemming
In mijn supermarktnieuwsbrief van 11 juli 2013 voorspelde ik al dat het vestigen van afhaalpunten voor via internet bestelde goederen de gerechtelijke pennen wel in beweging zou brengen.