Misbruik van het faillissementsrecht
Het recht dient te worden gebruikt voor het doel waarvoor zij is geschreven. Het doel van het faillissementsrecht is dat mensen of bedrijven niet blijven doorgaan met het opbouwen van schulden die zij niet aflossen.
Veelvuldig wordt het faillissementsrecht gebruikt door een franchisegever als drukmiddel om de franchisenemer tot spoedige betaling te bewegen. Wanneer niet tijdig wordt betaald, dreigt de franchisegever direct met het aanvragen van het faillissement van de franchisenemer. Voor een eventuele tegenvordering of het betwisten van de vordering wordt geen ruimte gelaten.
De faillissementswet geeft kort gezegd aan dat een faillissement kan worden uitgesproken wanneer er sprake is van meerdere schuldeisers en de schuldenaar in de staat verkeert waarin hij is opgehouden te betalen. Aan het vereiste dat er meer dan één schuldeiser moet zijn zal vaak wel zijn voldaan wanneer een franchisegever beweert een vordering te hebben op een franchisenemer. Als schuldeiser telt ook bijvoorbeeld het rekening-courantkrediet al meetellen. Dat er meerdere schuldeisers zijn is echter alleen nog geen voldoende voorwaarde om failliet te kunnen worden verklaard. Daarnaast moet er immers tevens de situatie zijn dat er is opgehouden te betalen.
Wanneer een franchisenemer een rekening onbetaald laat en de franchisenemer heeft daarvoor een reden is het daarom aan te raden de reden van niet betalen goed te communiceren en vast te leggen. Wanneer de franchisenemer met een reden niet betaalt, verkeert hij niet in de situatie dat hij bent opgehouden te betalen, de reden dient dus wel kenbaar te zijn. Zo voorkomt de franchisenemer dat hem ten onrechte de druk opgelegd wordt dat het faillissement wordt aangevraagd of vervelender nog dat hij, nadat de franchisegever het faillissement al heeft aangevraagd, dat de situatie aan de rechter moet worden uitgelegd, waar er eigenlijk een discussie is over de hoogte van de declaratie of de kwaliteit van de geleverde dienst of goederen.
Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten
Eenzijdige collectieve fee-verhoging door franchisegever ongeoorloofd
In een belangwekkende uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2014, lag de vraag voor of een franchisegever een verhoging van een bijdrage mocht doorvoeren.
Belangen Vereniging Franchisenemers Nederland (BVFN) voert nader overleg met de Minister
Op 16 april 2014 heeft het al aangekondigde gesprek tussen de Belangen Vereniging Franchisenemers Nederland (BVFN), en het Ministerie van Economische Zaken plaatsgevonden.
Exoneratie zorgplicht bij prognose franchisegever
In een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 april 2014, kwam de interessante vraag aan de orde of een samenwerking als franchise gekwalificeerd diende te worden.
Concurrentiebeding sneuvelt in kort geding
Onlangs oordeelde de voorzieningenrechter te Rotterdam dat een franchisenemer niet gehouden was aan het in de franchiseovereenkomst opgenomen concurrentiebeding.
Voorschot op schadevergoeding na ondeugdelijke prognose
In een fraai gemotiveerd kort gedingvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2014 was aan de orde de vraag of een voorschot betaald diende te worden op de schadestaatprocedure.
Afhaalpunt vereist winkelbestemming
In mijn supermarktnieuwsbrief van 11 juli 2013 voorspelde ik al dat het vestigen van afhaalpunten voor via internet bestelde goederen de gerechtelijke pennen wel in beweging zou brengen.