Non-concurrentiebedingen in franchise: de centrale rol van knowhow
De recente rechtspraak laat zien dat de beoordeling van non-concurrentiebedingen in franchiseverhoudingen zich steeds nadrukkelijker concentreert rond één kernvraag: welke knowhow is daadwerkelijk overgedragen, en rechtvaardigt die een beperking van de concurrentievrijheid? De uitspraak van de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2026:3386) lijkt deze lijn voort te zetten.
Rechtbank Limburg: nog geen eindoordeel, wel duidelijke signalen
In deze procedure ligt de geldigheid van een postcontractueel non-concurrentiebeding ter beoordeling voor. De rechtbank heeft nog geen definitief oordeel gegeven, maar de tussenoverwegingen laten zien dat het beding kritisch wordt benaderd.
Centraal staat de toets aan artikel 7:920 BW. Daarmee komt de nadruk te liggen op de vraag of het beding noodzakelijk is ter bescherming van overgedragen knowhow. Juist op dat punt lijkt de rechtbank twijfels te hebben. De onderbouwing van de franchisegever roept vragen op over de aard, omvang en het onderscheidend vermogen van de gestelde knowhow.
Hoewel de uitkomst nog openligt, wijst de richting van de overwegingen erop dat het beding onder druk staat. Zonder concreet aantoonbare en beschermenswaardige knowhow is handhaving moeilijk verdedigbaar. De rechtbank wijst de gevorderde voorlopige voorziening dan ook af.
Rechtspraak bevestigt de lat voor knowhow
Deze benadering sluit aan bij recente uitspraken waarin rechters hoge eisen stellen aan de onderbouwing van knowhow.
In een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:1235) wordt een vergelijkbaar beeld zichtbaar. De franchisegever beroept zich op diverse ondersteunende middelen en algemene stukken, maar slaagt er niet in aannemelijk te maken dat sprake is van specifieke, niet-openbare en wezenlijke kennis. Daarbij weegt mee dat de franchisenemer reeds over relevante branche-ervaring beschikt. De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende duidelijk is dat bescherming van de gestelde knowhow een postcontractueel beding rechtvaardigt.
Een vergelijkbare lijn volgt ook uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2025:8931). Daar slaagt de franchisegever er evenmin in om concreet te maken welke knowhow bescherming behoeft. Het gevolg is dat zowel het non-concurrentiebeding als het relatiebeding voorlopig worden geschorst. Opvallend is dat ook het relatiebeding aan dezelfde maatstaf wordt onderworpen en dus ook kwetsbaar wordt als onvoldoende duidelijk is dat sprake is van knowhow die bescherming met een dergelijk beding rechtvaardigt.
Slot: knowhow als scharnierpunt
Deze lijn in de rechtspraak maakt duidelijk dat knowhow het scharnierpunt vormt in de beoordeling van non-concurrentiebedingen in franchise. Dat geldt in twee opzichten.
In de eerste plaats is de aanwezigheid en overdracht van knowhow bepalend voor de kwalificatie als franchiseovereenkomst. Zonder dergelijke overdracht ontbreekt een essentieel kenmerk van franchise. De rechtspraak laat weinig ruimte voor abstracte of generieke stellingen. Algemene ondersteuning, standaardhandboeken of gebruikelijke branchekennis volstaan niet. Vereist is dat het gaat om informatie die wezenlijk, identificeerbaar en niet algemeen toegankelijk is.
In de tweede plaats is diezelfde knowhow doorslaggevend voor de vraag of een non-concurrentiebeding voldoet aan de eisen van artikel 7:920 lid 2 BW. Alleen indien bescherming van concrete, aantoonbare knowhow dat rechtvaardigt, komt een dergelijk beding voor handhaving in aanmerking.
Franchisegevers doen er daarom verstandig aan om duidelijk vast te leggen welke knowhow wordt overgedragen en waarom bescherming daarvan met een non-concurrentie- of relatiebeding cruciaal is. Indien deze basis niet op orde is, zijn dergelijke bedingen immers kwetsbaar.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar albers@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Beëindiging franchiseovereenkomst leidt niet zonder meer tot beëindiging onderhuurovereenkomst
Franchisegever beëindigde de franchiseovereenkomst met de franchisenemer. In de franchiseovereenkomst was bedongen dat door beëindiging van de franchiseovereenkomst tevens de onderhuurovereenkomst zou
Ondanks tegenclaim franchisenemer gerechtvaardigde ontbinding franchisecontract door franchisegever
De Rotterdamse rechtbank heeft onlangs beslist dat betalingsachterstand van ruim € 80.000,-- voldoende is voor de franchisegever om de franchiseovereenkomst te ontbinden.
Een pand feitelijk gebruiken, maar dan zonder huurovereenkomst
In franchising komt het veelvuldig voor dat het bedrijfspand, van waaruit de franchisenemer zijn onderneming exploiteert
Overstap franchisenemer van de ene franchiseorganisatie naar de andere niet zonder risico’s
Onlangs heeft de rechtbank te Amsterdam uitspraak gedaan in een kwestie waarbij een franchisenemer overstapte van de ene franchisegever naar de andere, in dezelfde branche.
Franchisegever: bescherm uw merk(en) goed
Als franchisegever heeft u een franchiseformule ontwikkeld die zich onder meer onderscheidt
Kapitaalbehoefte in mededingingsrechtelijk perspectief
In de praktijk komt het regelmatig voor dat, zoals elk bedrijf, een franchisegever of een franchisenemer behoefte