Kan een aspirant-franchisenemer een retentierecht inroepen om een entree-fee terug te vorderen als na het sluiten van de voorovereenkomst er niet alsnog een franchiseovereenkomst tot stand komt? De rechtbank Gelderland heeft op 26 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5727 (Hot Rod City Tour) geoordeeld over deze kwestie.

Nadat partijen een intentieovereenkomst gesloten hadden tot exploitatie van een franchiseonderneming te Nijmegen, had de aspirant franchisenemer een pand gehuurd. Vervolgens zijn partijen een voorovereenkomst aangegaan. De aspirant franchisenemer is toen voor 5 maanden in loondienst gekomen van de franchisegever om de onderneming op poten te zetten en in de hoop een franchiseovereenkomst te kunnen uitonderhandelen. Die arbeidsovereenkomst is eenmalig met twee maanden verlengd. Gedurende de onderhandelingen zijn door de franchisegever aan de aspirant franchisenemer, die in loondienst was, een aantal voertuigen ter beschikking gesteld in het kader van de exploitatie.

Hoewel de aspirant franchisenemer vooruitlopend op een mogelijke overeenstemming over een franchiseovereenkomst een entree-fee van € 35.000,00 aan de franchisegever had voldaan, is ook vóór het aflopen van de verlengde arbeidsovereenkomst geen franchiseovereenkomst door partijen ondertekend. Partijen zijn ook na het einde van de arbeidsovereenkomst in gesprek gebleven en de activiteiten zijn ook voortgezet. De franchisegever heeft enkele maanden huur betaald voor het pand, maar de aspirant franchisenemer heeft de huur opgezegd en de franchisegever verzoekt om die reden teruggave van de voertuigen. De aspirant franchisenemer weigert de teruggave van de voertuigen, omdat hij onder meer de entree-fee van € 35.000,00 terug claimt, nu er geen franchiseovereenkomst tot stand gekomen is.

Voor een geslaagd beroep op een retentierecht is ingevolge artikel 3:290 BW vereist dat de aspirant franchisenemer (a) ten tijde van de uitoefening van het retentierecht de feitelijke macht had over de voertuigen, (b) een opeisbare vordering heeft op de franchisegever en dat (c) een samenhang bestond tussen de vordering en de verplichting van de aspirant franchisenemer om de voertuigen weer in de macht van de franchisegever te brengen. Duidelijk is dat de voertuigen bij de franchisenemer zijn. De vraag blijft dus voorliggen of sprake is van een opeisbare vordering die voldoende samenhang vertoont met de verplichting tot teruggave van de voertuigen.

Vast staat dat in artikel 7 van de voorovereenkomst is bepaald dat de aspirant franchisenemer voor de mogelijkheid om een franchiseovereenkomst te sluiten een entree-fee zal betalen van € 35.000,00. Als de franchiseovereenkomst tot stand komt, zal deze entree-fee volgen artikel 7 worden verrekend met de franchise-fee. Verder bepaalt het artikel dat de entree-fee niet kan worden teruggevorderd als het afsluiten van de franchiseovereenkomst onmogelijk wordt om redenen die de franchisegever niet zijn te verwijten. De rechtbank oordeelt dan ook dat voorshands niet kan worden geoordeeld dat het (volledig) aan de franchisegever te wijten is dat de franchiseovereenkomst door partijen niet is ondertekend. Het is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat de aspirant franchisenemer aanspraak kan maken op terugbetaling van de entree fee van € 35.000,00.

In deze kwestie lijkt het er op dat de aspirant franchisenemer bij het sluiten van de voorovereenkomst zich onvoldoende bewust is geweest van de inhoud en consequenties van de gemaakt afspraken. Tijdig en kundig advies is steeds raadzaam.

Mr. A.W. Dolphijn – franchiseadvocaat Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies.

Wilt u reageren? Ga naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten

Franchise & Recht nr. 5 – Wet Acquisitiefraude en franchising

Per 1 juli 2016 is de Wet Acquisitiefraude ingevoerd. Hiermee zijn onder meer wijzigingen aangebracht in artikel 6:194 BW.

Door Ludwig en van Dam|10-08-2017|Categorieën: Franchise overeenkomsten, Geschillen beslechting, Prognose-problematiek, Uitspraken & actualiteiten|Label: , , |

Moet een franchisenemer een nieuw model-franchiseovereenkomst accepteren?

De rechtbank Rotterdam heeft op 31 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2457 in kort geding geoordeeld over de vraag of franchisegever Bram Ladage de franchiseovereenkomst met haar franchisenemer had

Verplichte (marktconforme) inkoopprijzen voor franchisenemers

In hoeverre kan een franchisegever afspraken wijzigen over de (marktconforme) inkoopprijzen van de goederen die de franchisenemers verplicht zijn in te kopen?

Bestuurdersaansprakelijkheid van een franchisenemer na falend beroep op ondeugdelijke prognose.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 11 juli 2017 een beslissing genomen over de vraag of de franchisegever met succes de bestuurder van een b.v. kon aanspreken voor het niet-nakomen van de

Aansprakelijkheid accountant voor opgestelde prognose?

In een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3153, was aan de orde dat franchisenemers de accountant van de franchisegever verweten aansprakelijk te zijn

Hoe ver strekt de zorgplicht van de bank?

In de rechtspraak is enige tijd geleden de vraag aan de orde geweest wat de positie van de bank is in de driehoeksverhouding franchisegever – bank – franchisenemer.

Ga naar de bovenkant