Supermarktondernemer bepaalt zelf de keuzeformule na verwerving eigendom pand

Door Gepubliceerd Op: 04-05-2011Categorieën: Uitspraken & actualiteiten

Gerechtshof Leeuwarden

In de verdringingsmarkt van supermarkten bepaalt diegene die kan beschikken over een eigen winkelpand veelal welke formule daarin mag worden toegepast. Een recent arrest van het gerechtshof Leeuwarden is daar een bevestiging van. De casus is als volgt.

De supermarktondernemer heeft met de supermarktorganisatie een onderhuurovereenkomst en een franchiseovereenkomst gesloten. Nadien verwerft de supermarktondernemer de eigendom van het pand. Daarmee wordt de supermarktondernemer ook naast onderhuurder tevens (hoofd)verhuurder en verhuurt daarmee aan de supermarktorganisatie die op haar beurt weer door/terug (onder)verhuurt aan de supermarktondernemer. Dit overigens in casu door aan de supermarktondernemer gelieerde vennootschappen.

Inmiddels concludeert de supermarktondernemer dat de toegepaste formule, welke in de onderhuurovereenkomst ook verplicht is gesteld en is gekoppeld aan de franchiseovereenkomst, hem niet langer past in de (gewijzigde) locale marktsituatie. Om redenen van bedrijfseconomische aard wenst de supermarktondernemer een andere formule toe te passen. De supermarktondernemer wenst daarom gelijktijdig de franchiseovereenkomst, alsmede de hoofdhuurovereenkomst te beëindigen en een samenwerking aan te gaan met een andere formule. Voor de beëindiging van de laatstgenoemde overeenkomst is toestemming van de rechter vereist. Zonder beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst heeft beëindiging van de franchiseovereenkomst weinig effect, gelet op de koppeling van beide overeenkomsten en formulebestemming in de onderhuurovereenkomst. Het gerechtshof beoordeelt in hoger beroep de aldus verzochte ontruiming aan de hand van een (subsidiaire) algemene belangenafweging, daarmee om procestechnische redenen voorbijgaand aan het (primaire) beroep op dringend eigen gebruik. Hierbij is met name vermeldenswaardig het gerechtshof in het kader van deze belangenafweging van oordeel dat het ondernemersbelang, mede door toedoen van toenemende concurrentie van de eigen franchisegever, gebaat is bij de mogelijkheid van een vrije keuze van de te hanteren supermarktformule. Daarbij moet volgens het gerechtshof van het inmiddels verworven eigen pand gebruikt kunnen worden gemaakt. Het gerechtshof acht voorts van belang dat de supermarktorganisatie zelf heeft nagelaten haar positie te versterken door bijvoorbeeld het pand zelf te verwerven. Voorts heeft de franchiseovereenkomst al meer dan 15 jaar geduurd en heeft de supermarktorganisatie nauwelijks of niet geïnvesteerd in de betreffende bedrijfsruimte. Daarmee concludeert het gerechtshof dat de belangenafweging in het voordeel uitvalt van de supermarktondernemer en met zich meebrengt dat de hoofdhuurovereenkomst mag eindigen, zodat deze geen belemmering meer vormt voor de keuze van een eigen formule.

Gelet op de stoelendans die ook momenteel nog plaatsvindt in supermarktland waarbij veelal op basis van de eigendom en (hoofd)huurrechten van een betreffende bedrijfsruimte de ondernemer nauwelijks kan bepalen welke formule het beste is, loont het de moeite de mogelijkheid het bedrijfspand in de eigendom te verwerven, serieus in overweging te nemen. Uiteraard kunnen er overigens ook nog andere belemmeringen bestaan om al dan niet een andere formule te kunnen toepassen, zoals een concurrentiebeding, zodat per geval nader moet worden bezien wat de mogelijkheden zijn.

 

Mr J. Sterk  – Franchise advocaat

Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies Wilt u reageren? Mail naar info@ludwigvandam.nl

Andere berichten

Franchise & Recht nr. 5 – Wet Acquisitiefraude en franchising

Per 1 juli 2016 is de Wet Acquisitiefraude ingevoerd. Hiermee zijn onder meer wijzigingen aangebracht in artikel 6:194 BW.

Door Ludwig en van Dam|10-08-2017|Categorieën: Franchise overeenkomsten, Geschillen beslechting, Prognose-problematiek, Uitspraken & actualiteiten|Label: , , |

Moet een franchisenemer een nieuw model-franchiseovereenkomst accepteren?

De rechtbank Rotterdam heeft op 31 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2457 in kort geding geoordeeld over de vraag of franchisegever Bram Ladage de franchiseovereenkomst met haar franchisenemer had

Verplichte (marktconforme) inkoopprijzen voor franchisenemers

In hoeverre kan een franchisegever afspraken wijzigen over de (marktconforme) inkoopprijzen van de goederen die de franchisenemers verplicht zijn in te kopen?

Bestuurdersaansprakelijkheid van een franchisenemer na falend beroep op ondeugdelijke prognose.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 11 juli 2017 een beslissing genomen over de vraag of de franchisegever met succes de bestuurder van een b.v. kon aanspreken voor het niet-nakomen van de

Aansprakelijkheid accountant voor opgestelde prognose?

In een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3153, was aan de orde dat franchisenemers de accountant van de franchisegever verweten aansprakelijk te zijn

Hoe ver strekt de zorgplicht van de bank?

In de rechtspraak is enige tijd geleden de vraag aan de orde geweest wat de positie van de bank is in de driehoeksverhouding franchisegever – bank – franchisenemer.

Ga naar de bovenkant