Vergoeding reputatieschade aan franchisegever
De rechtbank Amsterdam oordeelde op 3 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7830, over de vraag of er aan een franchisegever reputatieschade vergoed zou moeten worden, als een derde de reputatie van het franchisesysteem schaadt, waarvoor franchisenemers zich bij de franchisegever beklagen.
Een ontwikkelaar van een digitaal platform voor een franchisegever had een platform geleverd waartoe elke derde zich toegang kon verschaffen. De franchisegever stelt dat zij reputatieschade heeft geleden doordat bedrijfsinformatie van franchisegever spreekwoordelijk op straat komen te liggen, waardoor zij in een onprofessioneel daglicht is komen te staan ten opzichte van onder meer haar franchisenemers. Verder zouden franchisenemers zich bij de franchisegever hebben beklaagd dat de voorgehouden kwaliteitsslag niet behaald wordt. De franchisegever vordert van de ontwikkelaar van het platform een vergoeding van € 25.000,- voor reputatieschade.
Het betreft hier een vordering in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW: “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde (…) in zijn eer of goede naam is geschaad (…)”. De rechter die op de voet van artikel 6:106 BW schadevergoeding toekent, heeft een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot het bepalen van de omvang van die schadevergoeding. De rechter mag met alle omstandigheden van het geval rekening houden bij de begroting van de schade en hij heeft de bevoegdheid om, indien hij daartoe gronden aanwezig oordeelt, geen schadevergoeding toe te kennen (vgl. Hoge Raad 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1337, NJ 2002/91).
Voor het bestaan van reputatieschade is naar het oordeel van de rechtbank te weinig gesteld, althans: hetgeen is gesteld weegt niet zwaar genoeg om – indien waar – te kunnen worden aangemerkt als voor vergoeding vatbare schade in de zin van de wet. Zelfs als zou worden geoordeeld dat het gestelde wél zwaar genoeg weegt om een schadevergoeding in beginsel toewijsbaar te achten, zou die schadevergoeding in het onderhavige geval op grond van de billijkheid op nihil worden gesteld, omdat volgens de rechtbank de intenties van de ontwikkelaar goed waren en dat zij geen opzet op of grove schuld aan de reputatieschade heeft gehad.
Voor franchisegever en hun formule is reputatie en goodwill van groot belang. Het blijkt maar weer eens dat het voorkomen van schade zeer belangrijk is, omdat het verhalen van reputatieschade lastig kan zijn.
Mr. A.W. Dolphijn – franchiseadvocaat
Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies. Wilt u reageren? Ga naar dolphijn@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Supermarktbrief – 19
Coop schadeplichting wegens wanprestatie jegens franchisenemer
Schadebegroting na onterechte beëindigen franchiseovereenkomst door franchisegever
In een arrest van de Hoge Raad van 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2372 (Franchisenemer/Coop) was aan de orde dat supermarktorganisatie Coop afspraken niet nagekomen was, waardoor de franchisenemer
Franchisegever verplicht tot verlenging franchiseovereenkomst
De rechtbank Rotterdam heeft op 6 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6975 (Misty /Bram Ladage) geoordeeld dat de weigering tot verlenging van een franchiseovereenkomst door een franchisegever
De (on)geldigheid van een postcontractueel concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst: analogie met arbeidsrecht?
De rechtbank Gelderland heeft op 5 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4565 een vonnis gewezen over onder meer de vraag of Bruna als franchisegever een beroep kon doen op het verbod voor een
Column Franchise+ – mr. J Sterk: “Rechtbank veroordeelt fastfoodketen tot verlenging franchiseovereenkomst
De zaak speelt begin dit jaar. De franchisenemer weigert al jaren de bij verlenging aangeboden nieuwe franchiseovereenkomst te ondertekenen aangezien deze een verslechtering van zijn rechtspositie met
Geen geldig non-concurrentiebeding voor franchisenemer
Op 18 november 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2016:7754, een vonnis gewezen in de kwestie waarbij aan de orde was of de franchisenemer gehouden



