Wie bepaalt de waarde van de franchisevestiging?

Door Gepubliceerd Op: 20-07-2026Categorieën: Uitspraken & actualiteiten, Wet franchise

Een franchisenemer die zijn onderneming verkoopt, wil de waarde verzilveren die hij vaak jarenlang zelf heeft opgebouwd. Omzet, klantenkring, lokale bekendheid en goodwill ontstaan niet vanzelf. Juist daarom is het van groot belang wie bij verkoop aan een derde invloed heeft op de koopprijs.

De rechtbank Noord-Holland geeft daarover een belangrijk signaal in de uitspraak over Simon Lévelt. De zaak draait om een franchisenemer die haar onderneming wil verkopen. De franchisegever vindt de beoogde verkoopprijs te hoog en beroept zich op het formulehandboek. Volgens dat handboek moet overeenstemming bestaan over de verkoopprijs. De franchisenemer wijst echter op de franchiseovereenkomst. Daarin staat dat zij zelf een koper mag zoeken, mits die koper aan bepaalde voorwaarden voldoet.

De rechtbank volgt de franchisenemer. Zij oordeelt dat de franchisenemer de kans moet krijgen om zelf een verkoopprijs te bepalen en een koper te vinden die bereid is die prijs te betalen, mits die koper geschikt en kredietwaardig is. Dat is een belangrijk uitgangspunt. Wanneer een geschikte koper bereid is een bepaalde koopprijs te betalen, vormt dat een zwaarwegend aanknopingspunt voor de marktwaarde van de onderneming. Een contractuele berekenmethodiek die onvoldoende aansluit bij die marktwaarde, kan de franchisenemer in zo’n situatie onnodig beperken in het realiseren van de opgebouwde goodwill.

Dat geldt temeer wanneer de franchisegever al beschikt over een optierecht of eerste recht van koop. In dat geval kan hij de onderneming vaak zelf overnemen tegen dezelfde voorwaarden als een derde biedt. Wanneer daarnaast een berekenmethodiek geldt die de koopprijs of goodwillvergoeding beperkt, werkt die beperking in feite ook door in de prijs waarvoor de franchisegever zelf kan kopen. Juist daarom moet kritisch worden beoordeeld of zo’n methodiek voldoende aansluit bij de werkelijke marktwaarde van de onderneming.

De uitspraak maakt duidelijk dat formulebelangen niet hetzelfde zijn als prijscontrole. Een franchisegever mag belang hebben bij continuïteit, kwaliteit en financiële draagkracht van de opvolgend franchisenemer. Die belangen kunnen echter goed worden beschermd met objectieve toelatingscriteria. Denk aan eisen op het gebied van solvabiliteit, liquiditeit, ervaring, ondernemerschap en naleving van de formule. Daarmee houdt de franchisegever grip op de kwaliteit van de formule, zonder rechtstreeks in te grijpen in de prijs die de vertrekkend franchisenemer met een derde overeenkomt.

De uitspraak onderstreept dat het formulehandboek geen zelfstandige grondslag biedt om de contractuele overdrachtsregeling te verzwaren. Het handboek mag de franchiseovereenkomst praktisch uitwerken, maar niet wezenlijk wijzigen. Waar het gaat om verkoopprijs, goodwill en overdraagbaarheid van de onderneming, is terughoudendheid geboden: dit zijn kernonderdelen van de economische positie van de franchisenemer.

Daarnaast moet de grip die de franchisegever op zijn formule wil behouden, en die mede van belang is voor de formule als geheel, in de eerste plaats worden gezocht in objectieve, transparante en vooraf kenbare toelatingscriteria voor de opvolgend franchisenemer. Het beperken van de opbrengst van de verkoop van een ondernemer lijkt op grond van deze uitspraak niet zonder meer toegestaan.

Vragen?

Neem contact op met:

mr. M. Munnik
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar munnik@ludwigvandam.nl

Andere berichten

Alex Dolphijn in het Financiële Dagblad over het arrest van de Hoge Raad inzake Street-One

Franchisegevers eerder aansprakelijk bij foute prognoses Franchisenemers kunnen hun moederorganisatie voortaan makkelijker aansprakelijk stellen voor ondeugdelijke winst en omzetprognoses.

Column Franchise+ – mr. Th.R. Ludwig: “Leveringsstop door franchisegever wederom niet toegestaan”

Opnieuw heeft de president in kort geding zich uitgelaten over de vraag of een leveringsstop van een franchisegever jegens de franchisenemer was toegestaan, waarbij de franchisenemer een forse

De bedrijfsleider (werknemer) die franchisenemer wordt – fictieve dienstbetrekking?

Op 14 december 2016 heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2016:11031 (Werkneemster/Espresso Lounge) zich gebogen over de situatie waarbij een werkneemster een

De Hoge Raad stelt zware eisen aan franchiseprognoses

Een uitspraak van de Hoge Raad van vrijdag jl. werpt nieuw ligt op het verstrekken van winst- en omzetprognoses aan aspirant-franchisenemers.

Door Ludwig en van Dam|28-02-2017|Categorieën: Franchise overeenkomsten, Geschillen beslechting, Prognose-problematiek, Uitspraken & actualiteiten|Label: , , |
Ga naar de bovenkant