Mededinging en merkbaarheid: recente ontwikkelingen
De president van de rechtbank Arnhem heeft zich in kort geding zeer recent weer eens gebogen over enige mededingingsrechtelijke kwesties, waarbij onder andere aan de orde was of een exclusieve afname-overeenkomst rechtsgeldig gesloten was. De exclusieve afname-overeenkomst was aangegaan voor een periode van acht jaar, met de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging. Daarmee voldeed de overeenkomst niet aan de huidige Groepsvrijstellingsverordening betreffende verticale overeenkomsten, nu deze aanmerkelijk langer duurde dan vijf jaar. De overeenkomst dateerde echter van medio 1998, derhalve van voor het in werking treden van de Groepsvrijstellingsverordening (1 juni 2000). Partijen hebben gedurende de overgangsperiode, welke afliep op 31 december 2001, de exclusieve afnameverplichting niet aangepast aan de nieuwe Groepsvrijstellingsverordening. Een en ander was en is echter niet zeer relevant, nu de exclusieve afname-overeenkomst verder ging dan de ook oude Groepsvrijstellingsverordening toestond, als gevolg van de stilzwijgende verlengingsoptie, en daarmee het overgangsrecht dus niet van toepassing zou zijn geweest. Hoe dan ook is de president van mening dat de exclusieve afnameverplichting op basis van het mededingingsrecht niet is toegestaan vanwege de lange duur daarvan.
Ten laatste komt in deze kwestie dan nog de merkbaarheid aan de orde, nu de leverancier betoogde dat zijn marktaandeel op de relevante markt 7 % bedraagt, derhalve ruim onder de grens van 15 % zoals opgenomen in de De Minimisbekendmaking. De president toetste de exclusieve afname-overeenkomst echter ook aan de Nederlandse bagatelvoorziening van artikel 7 Mededingingswet. De leverancier bleek een omzet te hebben die hoger is dan de daarin opgenomen omzetdrempel van 1,5 miljard euro. Op die grond oordeelde de president de exclusieve afname-overeenkomst uiteindelijk, zij het voorlopig in kort geding, nietig.
Op zichzelf is dit een opmerkelijke uitspraak, nu vrij ééndimentionaal is gekeken naar de omzetdrempel in de Mededingingswet en verder niet is beoordeeld in hoeverre de exclusieve afname-overeenkomst daadwerkelijk een merkbare beperking van de mededinging oplevert. Die beoordelingsruimte is er wel, nu een exclusieve afnameverplichting in zichzelf niet kan worden gekwalificeerd als een zogenaamde hardcore-beperking. De NMa heeft in een recente uitspraak in het verlengde daarvan nu juist geoordeeld dat enkele niet-hardcore-beperkingen in een franchise-overeenkomst niet merkbaar waren, nu zij de maximum grenzen van de Europese De Minimisbekendmaking niet overschreden, terwijl de gezamenlijke omzet van de betrokken franchisegever en franchisenemers wel de bagateldrempels van artikel 7 Mededingingswet overschreden.
Met deze enigszins technische uiteenzetting van deze jonge uitspraak zij maar weer eens betoogd dat het Mededingingsrecht nog altijd in ontwikkeling is en zorgvuldigheid en voorzichtigheid bij het vormgeven van samenwerkingsrelaties te allen tijde noodzakelijk is.
Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten
Rechtbank verbiedt Domino’s eenzijdige rayonverkleinging bij verlenging franchiseovereenkomsten – d.d. 28 januari 2019 – mr. R.C.W.L. Albers
Op 9 januari 2019 is door de rechtbank Rotterdam een vonnis gewezen in een door de Vereniging van Domino’s Pizza Franchisenemers en al haar leden (nagenoeg alle franchisenemers van Domino’s) gestarte
Retentierecht van de franchisenemer
Kan een aspirant-franchisenemer een retentierecht inroepen om een entree-fee terug te vorderen als na het sluiten van de voorovereenkomst er niet alsnog een franchiseovereenkomst tot stand komt?
Supermarktbrief – 24
Concept wetsvoorstel Wet Franchise
Knowhow franchiseformule nu ook wettelijk beschermd
Knowhow is een van de meest essentiële onderdelen van een franchiseformule.
Franchisegevers mogen geen wijziging van winkeltijden meer opleggen
Eind 2018 is een concept van de “Wet keuzevrijheid openingstijden winkeliers” gepresenteerd.
Conceptwetsvoorstel inzake franchising
Om de verhoudingen tussen de franchisegevers en franchisenemers te verbeteren wordt een wet opgesteld voor de franchisebranche.





