Neveneffecten van non-concurrentiebedingen
In veel franchise-overeenkomsten is een non-concurrentiebeding opgenomen, zowel tijdens de looptijd van de franchise-overeenkomst als gedurende meestal een jaar na afloop daarvan. De strekking van dat beding is veelal dat het franchisenemer gedurende de looptijd van de franchise-overeenkomst en dat jaar daarna niet is toegestaan, in zijn algemeenheid, met de organisatie van franchisegever concurrerende werkzaamheden te verrichten. Op zichzelf is een dergelijk beding een algemeen aanvaard middel om te voorkomen dat franchisenemers al te makkelijk de via de franchise-organisatie verkregen kennis en know-how gebruiken om langs die weg diezelfde organisatie te beconcurreren. Een onbedoeld neveneffect van dat concurrentiebeding voor zover het ziet op de periode na beëindiging van de franchise-overeenkomst kan echter zijn dat het de franchisenemer onmogelijk wordt gemaakt aan bepaalde verplichtingen te voldoen. Na afloop van de franchise-overeenkomst kan het zo zijn dat de franchisenemer nog diverse handelingen dient te verrichten in verband met hetzij de overdracht hetzij de liquidatie van zijn onderneming. Dergelijke handelingen kunnen op zichzelf in strijd zijn met het concurrentiebeding. Prangender wordt een en ander echter wanneer er sprake is van doorlopende wettelijke verplichtingen. Iets dergelijks komt in de praktijk voor in franchise-organisaties op het gebied van de financiële dienstverlening. Die dienstverlening is geregeld onderworpen aan het regime van de Wet financiële dienstverlening (WFD). In dat kader dient onder meer zeker te zijn dat een assurantieportefeuille van de betrokken franchisenemer adequaat wordt beheerd, los van de duur van een franchise-overeenkomst en dus ook nadat deze om welke reden dan ook is beëindigd. Met name speelt deze problematiek wanneer de betrokken franchisenemer op eigen naam een vergunning uit hoofde van de WFD heeft op basis waarvan hij als assurantie- tussenpersoon kan optreden.
In situaties zoals de onderhavige ligt vanzelfsprekend overleg tussen franchisegever en franchisenemer voor de hand op eventueel gerezen problemen in der minne, en met het belang van de klanten van franchisenemer voorop, op te lossen. Voorts is het raadzaam om waar mogelijk bij het opstellen en de hantering van het bedoelde concurrentiebeding met deze problematiek rekening te houden.
Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten
Bijdrage mr. A.W. Dolphijn in het tijdschrift Contracteren 2018, nr. 1: “Het eenzijdig wijzigingsbeding in de franchiseovereenkomst.”
In het tijdschrift Contracteren is een bijdrage van mr Dolphijn geplaatst met als titel: “Het eenzijdig wijzigingsbeding in de Franchiseovereenkomst”.
Supermarktbrief – 22
Geen Nederlandse Franchise Code, wel wetgeving over franchising.
Geen Nederlandse Franchise Code, wel wetgeving over franchising
De Staatssecretaris heeft laten weten dat de Nederlandse Franchise Code (“NFC") niet wettelijk verankerd wordt. Wel zal er wetgeving volgen inzake franchising.
HEMA veroordeeld tot opschorting e-commerce bijdrage aan franchisenemers
HEMA heeft een conflict met haar franchisenemers over de bijdrage in de kosten voor e-commerce. HEMA vindt dat de bestaande regeling uit 1997 achterhaald is.
Vergissing of misleiding bij het sluiten van de franchiseovereenkomst
Een franchisenemer die na het sluiten van een franchiseovereenkomst spijt krijgt, kan van mening zijn dat hij voor of bij het sluiten van de franchiseovereenkomst door de franchisegever ...
Supermarktbrief – 21
Rechter: Bescherm franchisenemer tegen supermarktorganisatie (Coop) als verhuurder


