Artikel De Nationale Franchisegids: “Biedt de Wet franchise houvast bij geschillen ontstaan vóór 1 januari 2021?” – mr. M. Munnik – d.d. 16 augustus 2021
Per 1 januari 2021 is de Wet franchise in werking getreden. Vanaf deze datum is de wet van toepassing. Voor de bepalingen omtrent de goodwill en het instemmingsrecht geldt voor bestaande franchiseovereenkomst een overgangsregeling van twee jaar, voor nieuwe franchiseovereenkomsten geldt eveneens de ingangsdatum van 1 januari 2021. De ingangsdatum van de Wet franchise weerhoudt rechters er echter niet van om toch aansluiting te zoeken bij de Wet franchise bij de beoordeling van geschillen die zijn ontstaan voor deze datum.
Al in september 2020 werd door de rechtbank Amsterdam verwezen naar de Wet franchise. De rechter oordeelde dat de Wet franchise op dat moment weliswaar nog niet van kracht is, maar dat daaruit wel de reeds geldende algemene regel kan worden afgeleid dat een franchisegever zich als goed franchisegever jegens de franchisenemer dient te gedragen en vice versa. Aldus een nadere invulling van de redelijkheid en billijkheid.
De rechtbank Overijssel en de rechtbank Midden-Nederland zijn het er daarnaast over eens dat voor de beantwoording van de de vraag wat moet worden verstaan onder knowhow (in verband met de geldigheid van het non-concurrentiebeding) aansluiting moet worden gezocht bij de definitie daarvan als opgenomen in de per 1 januari 2021 in werking getreden Wet franchise, ondanks dat de Wet franchise op dat moment nog niet van toepassing is.
De Rechtbank Amsterdam heeft in mei 2021 opnieuw een uitspraak gedaan waarin de Wet franchise zelfs in het geheel van toepassing werd verklaard bij de beoordeling van een geschil dat zijn oorsprong vindt in (op zijn laatst) 2019, en aldus ver voor de inwerkingtreding van de Wet franchise. Volgens de rechtbank had de franchisegever in dat geval al bij de onderhandelingen over een nieuwe franchiseovereenkomst de in de Wet franchise opgenomen verplichting omtrent goodwill dienen te betrekken.
De rechtbank overweegt daarbij dat de verplichte goodwillbepaling in een franchiseovereenkomst pas van toepassing is per 1 januari 2023, maar dat dit slechts ziet op de verplichting om bestaande franchisecontracten aan te passen. De overgangsregeling geldt dus niet voor de situatie, waarin wordt onderhandeld over nieuwe, dus nog niet gesloten, franchiseovereenkomsten. Alhoewel dit op zichzelf niet verrassend is en in lijn met de Wet franchise is het desalniettemin opvallend dat het onderhandelingen betrof die eind 2018 en begin 2019 hebben plaatsgevonden, waarbij door de rechter bij de inkleuring van deze discussie omtrent de goodwill aansluiting wordt gezocht bij de Wet franchise.
Alhoewel de rechtbanken in eerste instantie met name aansluiting zochten bij de Wet franchise als inkleuring van de reeds geldende opvattingen in de jurisprudentie, lijkt de rechtbank Amsterdam in deze laatste uitspraak een stap verder te gaan door directe toepassing van de Wet franchise. De rechtbanken lijken dan ook inderdaad aansluiting te zoeken bij de Wet Franchise in geschillen die voor 1 januari 2021 zijn ontstaan.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar munnik@ludwigvandam.nl
Andere berichten
Continuering exploitatie, ondanks forse achterstand franchisefee?
Kan de franchisenemer door blijven gaan met exploiteren, ondanks een forse betalingsachterstand van franchisefee?
Inbreuk op concurrentiebeding, waar ligt de grens?
In deze kwestie startte een voormalig freelancer van massagesalon Doctor Feelgood een eigen massagesalon onder de naam Feelgood-store.
Onderzoek naar aantallen franchiseprocedures
Recentelijk publiceerde wij op de website een kort inventariserend onderzoek naar de franchisejurisprudentie over de afgelopen zes jaar.
Schending zorgplicht tast exoneratie aan
In een geschil over een beroep op exoneratiebeding in de franchiseovereenkomst door de franchisegever, is overwogen dat rekening gehouden dient te worden met de aard van de franchiseovereenkomst
Supermarktbrief – 5
Verwerving supermarktlocatie door opzegging huurovereenkomst ten koste van zittende huurder mag van Hoge Raad.
Verwerving supermarktlocatie door opzegging huurovereenkomst ten koste van zittende huurder mag van Hoge Raad
Op 25 april 2014 heeft de Hoge Raad ten tweede male bevestigd dat de wachttijd van drie jaar bij opzegging van de huurovereenkomst winkelruimte wegens dringend eigen gebruik na koop van het onroerend

