Rechtbank oordeelt in zaak rondom Maaltijd Thuis: een belangrijke overwinning voor Albert Heijn-franchisenemers
Op 8 januari 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak tussen Albert Heijn Franchising B.V. (AHF) en haar franchisenemers (https://shorturl.at/mYaEL). De zaak, aangespannen door de Vereniging van Albert Heijn Franchisenemers (VAHFR), draaide om de vraag of het door AHF geïntroduceerde concept Maaltijd Thuis een zogeheten ‘afgeleide formule’ is in de zin van de Wet franchise, en of hiervoor vooraf instemming van de franchisenemers nodig was. De rechtbank stelde de franchisenemers grotendeels in het gelijk. De VAHFR werd in deze zaak bijgestaan door Ludwig & Van Dam advocaten (Maaike Munnik en Jeroen Sterk), specialisten op het gebied van franchise.
De kern van de zaak
AHF ging een samenwerking aan met Food Connect Maaltijdservice B.V. om het concept Maaltijd Thuis te exploiteren. Dit betreft een maaltijdbezorgservice onder de naam en uitstraling van Albert Heijn. De franchisenemers stelden dat deze samenwerking valt onder de definitie van een ‘afgeleide formule’ in de zin van de Wet franchise. Zij voerden aan dat AHF op grond van deze wet vooraf toestemming had moeten vragen. De VAHFR bracht de zaak voor de rechter om duidelijkheid te verkrijgen over deze verplichting.
De rechtbank oordeelde dat Maaltijd Thuis kwalificeert als een afgeleide formule. Dit betekent dat AHF volgens de Wet franchise voorafgaande instemming van haar franchisenemers had moeten vragen voor de introductie van deze dienst. Omdat partijen geen drempelwaarde voor omzetderving waren overeengekomen, geldt dat elke voorzienbare omzetderving, hoe klein ook, instemming vereist. Nu AHF heeft nagelaten instemming te vragen voor de samenwerking met betrekking tot Maaltijd Thuis – en aldus handelt in strijd met de wet – geldt dat haar handelen als onrechtmatig kwalificeert.
Geen strijd met mededingingsrecht en Dienstenrichtlijn
Een belangrijk argument van AHF was dat het instemmingsrecht, zoals vastgelegd in de Wet franchise, in strijd zou zijn met het Europese mededingingsrecht en de Dienstenrichtlijn. AHF stelde dat dit recht haar belemmerde in het vrij ontwikkelen van nieuwe diensten. De rechtbank wees dit argument echter resoluut af. Er werd geoordeeld dat het instemmingsrecht geen merkbaar effect heeft op de handel tussen lidstaten en daarom niet in strijd is met het mededingingsrecht. Ook oordeelde de rechtbank dat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is in een geschil tussen private partijen. Daarmee blijft het instemmingsrecht een robuust instrument ter bescherming van franchisenemers.
Bescherming van de franchisenemers
Het vonnis bevestigt dat de Wet franchise een belangrijk instrument is om franchisenemers te beschermen tegen mogelijke concurrentie van hun eigen franchisegever. De rechtbank benadrukte dat AHF, door de duidelijke associatie van Maaltijd Thuis met de Albert Heijn-formule, had moeten voorzien dat dit invloed zou kunnen hebben op de omzet van de franchisenemers. Dit oordeel versterkt de positie van franchisenemers in vergelijkbare geschillen en sluit bovendien aan bij de Memorie van Toelichting op de Wet franchise, waarin wordt toegelicht dat het instemmingsrecht specifiek bedoeld is om franchisenemers te beschermen tegen dergelijke ontwikkelingen.
Wederzijdse verantwoordelijkheden in de franchiserelatie
De VAHFR kreeg te maken met een tegenvordering van AHF, waarin werd geëist dat alsnog een drempelwaarde voor het instemmingsrecht zou worden vastgesteld. Deze vordering werd door de rechtbank afgewezen. De rechtbank oordeelde echter wel dat er van de franchisenemersorganisatie mag worden verwacht dat zij zich inspant om in overleg met AHF tot een redelijke drempelwaarde te komen. Tegelijkertijd benadrukte de rechtbank het belang van constructief overleg tussen de partijen en zag zij geen reden om hierin direct in te grijpen. Deze boodschap benadrukt de noodzaak van een gezonde dialoog en samenwerking om conflicten te voorkomen.
Wat betekent dit voor de toekomst?
Dit vonnis benadrukt het belang van duidelijke afspraken en transparantie binnen franchiseverhoudingen. Het bevestigt dat franchisegevers zorgvuldig moeten omgaan met de rechten van franchisenemers, vooral bij de introductie van nieuwe initiatieven die invloed kunnen hebben op bestaande franchiseformules. Tegelijkertijd wordt onderstreept dat zowel franchisegevers als franchisenemersorganisaties verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van een constructieve dialoog. Deze uitspraak kan dienen als richtlijn voor de bredere franchisewereld om binnen het kader van de Wet franchise balans te vinden tussen innovatie, ketenbelangen en de bescherming van individuele franchisenemers.
Conclusie
Het vonnis van 8 januari 2025 markeert een belangrijke stap in de bescherming van franchisenemersrechten. Het bevestigt niet alleen de kracht van de Wet franchise, maar benadrukt ook het belang van wederzijds respect en samenwerking binnen de franchiseketen. Of AHF in hoger beroep zal gaan tegen dit vonnis is nog niet bekend.
Ludwig & Van Dam advocaten, franchise juridisch advies.
Wilt u reageren? Mail dan naar munnik@ludwigvandam.nl

Andere berichten
Eenzijdige collectieve fee-verhoging door franchisegever ongeoorloofd
In een belangwekkende uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2014, lag de vraag voor of een franchisegever een verhoging van een bijdrage mocht doorvoeren.
Belangen Vereniging Franchisenemers Nederland (BVFN) voert nader overleg met de Minister
Op 16 april 2014 heeft het al aangekondigde gesprek tussen de Belangen Vereniging Franchisenemers Nederland (BVFN), en het Ministerie van Economische Zaken plaatsgevonden.
Exoneratie zorgplicht bij prognose franchisegever
In een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 april 2014, kwam de interessante vraag aan de orde of een samenwerking als franchise gekwalificeerd diende te worden.
Concurrentiebeding sneuvelt in kort geding
Onlangs oordeelde de voorzieningenrechter te Rotterdam dat een franchisenemer niet gehouden was aan het in de franchiseovereenkomst opgenomen concurrentiebeding.
Voorschot op schadevergoeding na ondeugdelijke prognose
In een fraai gemotiveerd kort gedingvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2014 was aan de orde de vraag of een voorschot betaald diende te worden op de schadestaatprocedure.
Afhaalpunt vereist winkelbestemming
In mijn supermarktnieuwsbrief van 11 juli 2013 voorspelde ik al dat het vestigen van afhaalpunten voor via internet bestelde goederen de gerechtelijke pennen wel in beweging zou brengen.