Verklaring arbeidsrelatie: duidelijkheid en zekerheid nu een feit.
Menig franchiserelatie herbergt een beperkt of aanzienlijk risico van een verkapte werkgevers / werknemersrelatie (fictieve) dienstbetrekking in zich. Ter voorkoming van dit risico staan de rechtspraktijk een aantal instrumenten ten dienste. Een van die instrumenten is een adequate en bovenal relevante Verklaring arbeidsrelatie (var). Deze zogehete var-verklaring dient ter voorkoming van het ontstaan van een (fictieve)dienstbetrekking. Let wel het betreft hier bepaald niet alleen de relatie tussen de franchisegever en de franchisenemer. Een dergelijke onplezierige situatie kan tevens ontstaan tussen de franchisenemer en de opdrachtgever / klant. Is dat het geval, dan ontstaat een verplichting tot loonheffing en premies werknemersverzekering. Indien echter zonneklaar is dat de franchisenemer een zelfstandige is, dan wordt hier niet aan toegekomen. De var geeft dus duidelijkheid over de fiscale positie en status van de franchisenemer en daarmee tevens over diens zelfstandige status.
Thans is een wetsvoorstel in werking getreden dat met zich meebrengt dat de nieuwe var-verklaring in absolute zin zal leiden tot een vrijwaring van eventuele premieheffing en heffing van loonbelasting, tenzij er sprake is van frauduleus handelen van de zijde van de aanvrager. Anders dan in het verleden nog wel eens het geval was, is thans door de wetgever dus absolute rechtszekerheid gecreëerd. De franchisenemer kan de var-verklaring aanvragen bij de belastingdienst.
In het belang van de franchisegever, franchisenemer én de opdrachtgever / klant is het van belang deze rechtszekerheid van tevoren te scheppen en helder te communiceren. Langs deze weg worden (grote) werkproblemen voorkomen en kunnen de werkzaamheden voor de duur van de var-verklaring probleemloos worden verricht. Door het nieuwe wetsvoorstel is duidelijkheid en rechtszekerheid in het belang van alle betrokkene thans gewaarborgd.
Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies

Andere berichten
Bewijslastomkering bij prognose als misleidende reclame?
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in een kort gedingvonnis van 15 juni 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:3833, geoordeeld over een vordering tot (onder meer) schorsing van het non-concurrentiebeding.
Boete voor franchisegever omdat aspirant-franchisenemer vreemdeling is
De Raad van State heeft op 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1815, beslist over de vraag of bij de (voorgenomen) samenwerking tussen een franchisegever en een aspirant-franchisenemer, de franchisegever
Artikel in Entree: “Bedrijfsnaam”
“Ik heb een prachtige naam bedacht voor mijn horecaonderneming en heb hier de nodige kosten voor gemaakt. Nu is er een andere ondernemer die vrijwel dezelfde gaat gebruiken. Mag dat wel?”
Zorgplicht bank bij franchiseovereenkomsten
Het gerechtshof Den Haag heeft op 23 mei 2017, EQLI:NL:GHDHA:2017:1368, zich moeten uitlaten over de vraag of de bank een aspirant-franchisenemer had moeten waarschuwen, in verband met het
Artikel in Entree: “Op staande voet”
“Kan ik een werknemer op staande voet ontslaan als hij iets onbenulligs steelt, bijvoorbeeld etenswaren die over de houdbaarheidsdatum heen zijn?”
Arbitragebeding in franchiseovereenkomst soms onhandig
De rechtbank Gelderland heeft op 20 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4868 een uitspraak gedaan over de geldigheid van een afspraak in een franchiseovereenkomst, waarbij geschillen beslecht zouden worden




